De beklemde groei der poëzie St. Jacobskruiskruid MAANDAG 7 MEI 1979 Er zijn tekenen die erop wijzen dat de poëzie in Nederland in een impasse verkeert. Polak Van Gennep herdrukt „Vroege verzen" van Ida Ger- hardt, die van een klassieke eenvoud en schoonheid zijn. De Bezige Bij herdrukt poëzie van Vijftigers als Campert, Lucebert en Vinkenoog. Uigeverij Querido herdrukt in De Boekvink bundels van Engelman, Slauerhoff, Van Schagen, Vestdijk, poëzie dus uit de jaren dertig. Afgezien van de positieve kanten aan herdrukken (als handreiking aan het onderwijs bij voorbeeld) lijkt de heruitgave van poëzie uit vervlogen jaren vooral een veeg teken: de hedendaagse poëzie ontbreekt het kenne lijk aan zodanige kracht dat zij de norm van het literair verleden doet vergeten, laat staan doorbre ken kan. door R. L. K. Fokkema Van Oeel De hedendaagse poëzie maakt niet de indruk van evo lutionaire waarde te zijn, wanneer ik terugblik over 1978. Het Jaartal is een teken, wanneer men zich realiseert dat in 1948 experimentele Vijftigers de toenmalige im passe doorbraken. Rond 1958 trokken Bernlef en Ten Berge de poëzie uit het epigonisme weer in het spoor dat uitein delijk aansluit bij wat Gerrit Kouwenaar aan de objective ring van de poëzie bijdraagt. Deze objectivering door breekt Rutger Kopland door met Het orgeltje van Yester day (1968) een begin te maken met de humanisering van de poëzie. Tegelijk wint de poë zie van Van Geel aan belang stelling doordat zijn autono me natuurpoëzie meer en meer doorzien wordt als ook poëzie over menselijk leven. Gemakzucht Aan de huidige lezers ls het niet meer onbekend: de objectieve poëzie van Kouwenaar of de autonome poëzie van Van Geel ls slechts in schijn objectief of inhumaan. hoewel dat verwijt haar herhaaldelijk wordt ge maakt. Vooral dan door lezers van plezier en door dichters die de steriele vorm beoefenen; de eersten stellen geen eisen aan hun vermaak, de twee den stellen zichzelf geen eisen. Het is een beetje treurig dat de gemakzucht aan de winnende hand is. Nu wordt er wel gezegd dat het gemak de mens dient en dat staat nu precies een deel van 'de hedendaagse dichter voor ogen. Hun poëzie neemt een dienende rol aan; theatraal gezegd: zij dient eerder de mensen dan de Muze. Zij doet concessies aan het publiek op, het vlak der verstaanbaarheid, zodat' een vluchtige lezing die gelijk staat met een vluchtige manier van leven, volstaat. Het ls ook een beetje treurig dat deze poezie-opvatting verdedigd wordt met te wijzen op de steriliteit van de objectieve poëzie. Maar de dichters van de objectieve poëzie beoefenen in wezen de creatieve vorm. Dat ls een vorm die Paul van Ostaijen introdu ceerde in de Nederlanden en die neer komt op het principe van de zelfwerk zaamheid van de taal. Waar de poëzie vanzelf spreekt, vanzelfsprekend is. daar ls de dichter zelf vrijwel afwezig. Waar de poëzie niet vanzelfsprekend, waar de werkzaamheid van de taal ondergeschikt ls aan de bedrijvigheid van de dichter, daar ls sprake van een steriele vorm en het dichterlijk ik irriterend aanwezig. Waar de taal zelfwerkzaam is worden de gedichten natuurlijk, waar het „ik" van de dichter centraal staat, onnatuurlijk. Paul van Ostaijen zei het in 1925 zo: „Alleen doordat de dichter zich bezighoudt een goed ge dicht te schrijven, doordat hij streeft naar een zoo zuiver mogelijke formele oplossing van het probleem, dat door de lyrische ontroering werd gesteld, alleen daardoor bekomen zijn ob jecten zulke valeurs, dat zij ontsluie rend werken als de dingen der na tuur." Met deze uitweiding ls tussen de regels de sonnetten-schrijverij van Jan Kal (Praktijk hervat, De Harmo nie Amsterdam, 120 blz. ƒ21,50) en van C. Buddlngh' (De eerste zestig. De Bezige BIJ Amsterdam. 71 blz. ƒ24,50) verworpen, omdat zij dage lijkse dingen bespreekt zonder dat ook maar iets wordt ontsluierd, be halve de IJdelheid der dichters. Het lijkt een huiveringwekkende woordcombinatie die Van Ostaijen gebruikt: formele oplossing van de lyrische ontroering. maar die woordcombinatie heeft niets met ambtenarij te maken of met gevoel loosheid. Gevoelens worden altijd zichtbaar, ook in de meest formele, objectieve of autonome poëzie. Verschil in graad Ik herinner aan Van Ostaijens beken de ..Melopee", waarin het woord „moede" de gemoedsgesteldheid ver raadt. Of aan Kouwenaars objectieve gedicht „heden", waarin te midden van lnflatieberichten de geboorte aankondiging staat van „roosje mlr- Jam", een naam die zinspeelt op ver schrikkingen van de tweede wereld oorlog. De formele oplossing der ont roering kan, het is duidelijk, nimmer zonder emotionele of zelfs ethische implicaties. Als snoerde het de buikriem dicht, een als een steen gezette bloem waar geel gewiegde rupsen komen. Als kind al zag ik stengels die geen bloemen duldden, was ik in de stralen die vanuit het hart ontbreken in het ruige kruid, in het benauwde van beklemde bloei verdiept. Uit: Vluchtige verhuizing (1976) Gerrit Kouwenaar Daarmee is het verschil tussen de gehumaniseerde poëzie die Kopland schrijft en de objectieve poëzie van^ Kouwenaar. en de autonome van Van" Geel teruggebracht tot een verschil in graad. Het is, kortom, zo dat de humane poëzie niet zonder de objec tieve poëzie kan die het lyrisch ik ontindividualiseert en de objectieve poëzie bestaat niet zonder de emotio naliteit die het onpersoonlijk gedicht humaniseert. Het is goed dit alles te demonstreren aan het hiernaast afgedrukte gedicht var Van Geel, „St. Jacobskruid". In de eerste plaats is het een objectief taalbeeld van een kruid, waarin de „ik" van jongsaf geïnteresseerd is. De wijze waarop die interesse verwoord is is de wijze van de personificatie. Het gaat daardoor niet alleen meer over een kruiskruid waar de zebra rupsen van de Jacobsvlinder (die geel met zwart geringd zijn) leven, en niet alleen meer over een plant die voor komt aan de kant van de weg, in velden, op afvalplaatsen, zelden in tuinen, maar ook ineens over een eenzelvig iemand die aan weinig ge noeg heeft, die soberte op prijs stelt en aan wie oppervlakkig gezien wei nig te beleven valt. De onaanzienlijk heid ls echter als edelsteen (r.2) zo kostbaar; de hardheid van het opper vlak, van de verschijningsvorm is be drieglijk. Uit het hart (centrum der emoties) komt warmte (stralen), maar die blijft onder het oppervlak. En langzamerhand daagt het inzicht dat het gedicht niet alleen over gaat, niet alleen over een zijn gevoelens niet direct bl maar ook over het gedichj formele oplossing der lyriscl ring. Is ook het gedicht niet bloei, ls het niet zo dat sm groeien, dat ontbreken van bloementooi duiden kan op£' krachtig leven? Daarmee duidelijk dat soberheid, van bloei en onstuimlgheli (een schijnbare) dood vooi door leven. Rupsen stervei worden geboren. Zo moet de poëzie zijn: nlef stuimige vloed van gevoel» een taaikristal waarin aan <f ls ontsnapt. Het ls niet i Van Geel dat dit zo ls. 7" Kouwenaar en voor Nijhofl veel buitenlanders: de vormp atief zijn, zegt Nijhoff, moet luisteren naar „wat 1 vermogen van woord en syn| mag". Dan ontstaan er „raa(_ kristal" (Valéry) of „helda schenen oppervlakte". (NijHl< Het is in deze traditie dat !g zijn ..St. Jacobskruiskruld"k en die poëzie de moeite van d waard maakt. Dëze modernt verkeert allerminst in eenib gelezen de poëzie van Van Ch< land en Kouwenaar en van ters die in hun spoor gaan* ralr tijdschrift De Revisor; jaar zijn zesde Jaargang ing* meer dan welk tijdschrljft j poëzie en mag zich daarori gen in groeiende belangstel!1 Geen Dollee, geen Do-le, maar gewoon Dool. Aangezien wij van Dole graag goed naar u als konsument luisteren, kon het niet ongemerkt aan ons voorbij gaan, dat velen van u een pro bleem hebben met de uitspraak van onze naam. Nu vinden we dat niet zó erg, want je naam kan beter fout worden uitgesproken, dan niet worden uit gesproken. Maar het is voor alle partijen han diger als we even samen vaststellen wat de makkelijkste spreekwijze is. Bij deze dus. Een Dole banaan is geen Dollee ba naan en ook geen Do-le banaan, maar gewoon een Dool (Dole) banaan. Kort maar krachtig zogezegd. U mag natuurlijk ook gerust banaan tegen een Dole zeggen (want waar haalt een banaan het recht van daan om dat te verbieden), maar als u onze naam gebruikt, dan graag goed. Dool dus. Als u dat onthoudt, heeft u het de komende jaren een stuk makkelijker. Ga maar na: "Mag ik een kilo Dool (Dole)-bananen van u hebben", of "Nee, niet die, die Dool (Dole) wil ik hebben", of "Heeft u geen Dool (Dole)?" Ziet u wel? Dat praat wat mak kelijker. Zo, dat was dat Dan nu nog even, op veler ver zoek, voor degenen die het gemist hebben,de enige echte reden voor het krom zijn van bananen. Hoewel het Nederlands taal gebruik doet vermoeden dat er geen reden voor het krom zijn van bana nen is (ja, waarom zijn de bananen krom) is die er wel degelijk. Om dat te vatten moet u even weten hoe de bananen aan de plant -per abuis vaak boom ge noemd - hangen. U ziet, een kromme banaan hapt aanzienlijk makkelijker weg, dan een rechte. Knap bedacht dus eigenlijk, door moedertje natuur. Ze hangen niet, zoals u zou den ken, met de punten naar beneden, maar met de punten naar boven. Dat komt zo: Uit het midden van de bananenplant groeit een bloementros, die zo zwaar is dat hij ombuigt en naar beneden gaat hangen. Uit het hart van de bloe men groeien de bananen, aanvankelijk dus met de punten naar de grond. En nu komt het: Als typische tropenbe- woner is een banaan dol op zon. En zoals we weten schijnt de zon in de lucht, niet in de grond. Wat doen onze bovenste bananen dus? Ze groeien de 1 om, de lucht in. En daarom nu, zijn ze ky En dat is uitermate lft want als ze recht waren zouden ze lang nie makkelijk uit het i eten (Zie teke Zou bdi weer een bedt zer over banJT Rest on$ een tip. Oveju kopen van b^ Wij van doen ons be j* samen met c derlandse bai rijpers te zotf voor gave banai Samen letten w I dat ze pas naar de v>- gaan als zo mooi ge Helemaal geel u_ wie ze meteen wil eten. 1 met een groen puntje v£ wie ze nog even wil bew; Als u daarop let en op het rode etiket, bent u altijd zeker een stevige, lekkere banaan. Dole-banaan. Negen maanden met zorg gekweekt, handgeplukt, groen verscheept, gerijpt in Nederland en gaafgeel afgeleverd.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Nieuwe Leidsche Courant | 1979 | | pagina 16