- In he! begin van h£t vatige jaar 1237 hebben zicli te Athene eenigeaan zienlijken en geleerden ,.c)ie in den roem van hoc herboren Grielteifaid belang stellen, vereenigd toe het oprigten eener archaeölogische maa.schappij, tot doel hebbende om het opgraven, opsporenbewaren en herstellen der oud heden van Griekenland te bevorderen. Men is daarbij iiiuegaan van het denkbeeld, dat door het aan het licht brengen der gedenlttaekenen en voor werpen van kunst, die op den klassieken grond van Griekenland verstrooid, maar door het pnin der éeuiven overdekt zijn, aan de wetenschappen eene gewigtige dienst zou worden gedaan; dat het opgraven, opngten en herstel len dier oudheden aanzienlijke kosten vordert, die niec uitsluitend ter. laste der Grieksche Regering kunnen worden gebragt, ofschoon ook deze,'sedert de troonsbeklimming van Koning Ottogetoond heeft voor deze zaak groo ten ijver te koesterenden dat men riet slechts bij de tegenwoordige bewo ners van Griekenland, maar ook bij de geletterden en aanzienlijken in alle beschaafde landen der wereld belangstelling voor het doel der maatschappij tnogt vermoeden, al ware het alleen uit erkentelijkheid voor betgeen die be schaafde wereld aan het 011de Griekenland verschuldigd is. Men heeft dien volgens als beginsel aangenomen, dat ieder Griek en buitenlander lid der maatschappij zou kunnen worden, tegen betaling van eene jaarlijksche bij drage van niet minder dan 15 drachmen, dat is ruim 12 franken of omstreeks 6 Nederlandsche guldens, 'sjaars. Al verder is bepaald, dat de maatschappij buitenlanders, die door hunne archaeölogische kennis uitmunten, tot hono raire leden kan benoemen; dat iedet lid een diploma zal ontvangen, voor hetwelk hij eene som naar zijn goedvinden in de kas der maatschappij zal kunnen storten; dat de te Athene aanwezige leden eenmaal 'sjaars, op den dag der wedet-oprigting van het Parthenon, zich in de Akropolis zullen ver eenigen, 0111 het Bestuur te benoemen, en zich van de verrigtingen van het dan aftredend Bestuur rekenschap te doen geven dat de bestuurders der maatschappij zich met die van het nationale museum van Griekenland over de te doene opgravingen en herstellingen zullen verstaan, zoo als dan ook de te vinden oudheden, die voor vervoer vatbaar zijn, in dit museum zullen worden geplaatst; en eindelijk dat aan alle de leden jaarlijks een verslag van de werkzaamheden der maatschappij zal worden toegezonden. De Grieksche Regering heeft zich gehaast, om, bij een besluit van den 18/30 Jannarij 1837 de oprigting dezer maatschappij volkomen goed te keu ren, en daaraan bijzondere voorregten te schenken, zoo als bij voorbeeld, dat het uittreksel harer handelingen voor de leden jaarlijks op de Koning, lijke drukkerij ce Athene, gratis zal worden gedrukt, en dat de namen der- genen die drie jaren achtereen lid der maatschappij geweest zijn.opeenen marmeren colom aan den ingang van het nationaal museum zullen worden gegrift. Ten gevolge hiervan heeft de archaeölogische maatschappij van Athene den 28 April en 10 Mei 1837 hare eerste algemeene vergadering gehouden, waarbij 24 leden tegenwoordig waren, door welke de heer J. Rizos Nerou- los, Staatsraad en Hoofd-Ambtenaar bij het Ministerie van eeredienst en openbaar onderwijs, tot Voorzitter en de heer /t. Rizos Rangabe, Raad bij denzelfden tak van bestuur, tot Secretaris is verkozen. Wij hebben het verslag dezer zitting, hetwelk op de Koningrijke drukkerij te Athene, in de nieuwe Grieksche en Fransche talen, op eene keurige wijze is gedrukt, thans voor ons liggen. Daarin wordt onder anderen de welsprekende rede medegedeeld, waarmede de genoemde Secretaris de zitting heeft geopend. Hij heeft daarbij met geestdrifc gesproken van den godsdienstigen eerbied', dien dq tegenwoordige Grieksche Regering aan den dag legde, voor de eerwaar dige overblijfselen der oudheid en van haren ijver om den tegenwoordigen tijd aan het roemrijk tijdperk van Perikles vast te hechten, welk een en an. der bij de barbaarsche handelwijze in dezen der vroegere overheerschers van Griekenland zoo gunstig afstak. Hij heeft de belangrijke ontdekkingen op. gesomd, die sedert de herstelling van Griekenlands onafhankelijkheid in het veld der oudheidkunde, vooral ook door de zorgen van de heeren Ross en Pittakes gedaan waren, zoo als van dien fraaijen tempel ter eere der onge vleugelde overwinning, die thans bijna geheel ongeschonden aan den ingang der citadel van Athene is opgerigtvan de Propylaeën, die eeuwen achter een onder ander ruw metselwerk bedolven waren; en van een groot aantal opschriften, waarvan hij die op het arsenaal van den Piraeëus, die op de lange muren, en die wegens de aan Athene in ouden tijd cijnsp/igtige steden opsomde. Aan het slot zijner rede, over het hoofddoel der maatschappij sprekende, riep hij uit: „Welk vriend van Hellenischen naam, roem en letterkunde zal aarzelen, om tot het bereiken van dit doel eene kleine schat ting te brengen? Zouden wij ons te vergeefs vieijen, dat de door liefde voor Griekenland bezielde Archaeölogen van geheel Europa aan onze maatschappij hunne medewerking en hunnen Raad zullen schenken? En eindelijk zou het eene hersenschimmige begoocheling zijn, indien wij ons met de zoete hoop streelden, dat eenmaal door de pogingen dezer maatschappij eenige dier mees terstukken van beeldhouwkunst, die thans onder de koude lucht van het noorden schijnen te verkleumen, hunne oude plaaatsen weder innamen, voor welke het genie onzer voorvaderen ze had ontworpen, en welker ledigheid slechts daardoor kan worden aangevuld?" In overeenkomst met dit een en ander heeft het bestuurder maatschappij, onder dagteekening van den 30 April en 12 Mei 1837 eene oproeping aan alle vrienden der Grieksche oudheid in hec licht gegeven, waarbij hetzelve hen tot deelneming aanspoort en de maatschappij onder anderen ook eeniger- mate als eene voortzetting van die der Musenvrienden, die voor de omwen. teling in Griekenland bestond, voorstelt. Wij kunnen hier nog bijvoegen, dat de Consuls en Diplomatique Agenten van Griekenland in de verschillende Staten, en alzoo voor de Nederlanden de heer Psicha, Consul-Generaal van Griekenland te Amsterdam, met het ontvangen der inschrijvingen de nieuwe archaeölogische maatschappij te Athene belast zijn. RUSLAND. Uit Petersburg wordt van den 30 December berigtdat op den vorlgen avond in het winterpaleis van den Keizer brand ontstaan is. Wegens de felle koude, was er geene mogelijkheid om denzelven te blusschen. Het gebouw zelve was voor eene eeuw opgerigt door Keizerin Elisabeth. Den volgenden morgen duurde de brand nog voort. De Keizer heeft zich dadelijk op de plaats des brands begeven. Men verneemt over Hamburg, dat de brand in eenen schoonsteen was aangevangen en men denzelven den 3osten 's namiddags te twee ure nog niet meester was. Volgens een berigt uit Frankfort zon de brand aangekomen'zijn in de werk plaats van den Apothekar, welke denzelven zelf had willen blusschen, doch hierin te kort schot; als wanneer de vlam zich zoo spoedig verspreidde, dat er aan geen blusschen te denken viel. De schade door den brand veroorzaakt wordt berekend op 25,000,000 roe- bêls (papier,) dat is omstreeks 12,000,000. De koude is in Rusland na den 20 December zeer streng. Er is geene sneeuw gevallen, hetgeen de communicatie zeer moeiielijk maakt. De aan de kroon en bijzondere personen behoorende bergwerken heb ben in 1836 opgeleverd: 406 pud4 pond 21 solitrik goud 1,200 pud, 35 pond 62 solitrik zilver117 pud 26 pond64 solitrik platina40,900 pud lood; 240,204 pud 24 pond, 65 solitrik koper; 10,000,000 pud gegoten en 533,438 pud, 385- pond geslagen ijzer; 567,765 pud steenkolen; 23,404 pud, 5 pond vitriool en salpeter. De ontvangst van den bergbouw bedroeg 11J mil. iioen roebels. Gedurende het jaar 1836, werden in de munt te Petersburg voor 7,831,000 roebels aan goud en zilveren en voor 119,000 r cbe's platina munten gesla gen, benevens 340 grinden, 43 420 zilveren ei) 950 bronzen medailles, liet door bijzondere personen aan de munt geleverde goud en zilver heeft 2/3111111. der bedragen dan in 1835. Het laatste nommer van de Russische Landbouwkundige Courant geeft een overzigt over den oogst van 1837 in het geheele Rijk. Blijkens het zelve zijn de verwachtingen op een ongewoon gezegend jaar grootendeels teleurgesteld. Van zeer nadqeligen invloed op de veldgewassen schijnen ge weest te zijn het naite voorjaar en de daarop volgende ontijdige koude. In alle gouvernementen van het eigenlijke Rusland was ook de zomer nat, terwijl aan geene zijde van den Ural in het gouvernement Perm, gelijk ook in alle Siberische gouvernementen eene aanmerkelijke droogte heerschte. Bij dat alles ondervond niet een onzer gouvernementen een-volslagen misgewas, integendeel mogten zich verscheidene over eenen goeden oogst verblijden met namen Bessarabie en de Nieuw-Russische provinciën en vooral de Krim terwijl in de gouvernementen van Wologda, Woronesch, Wjatka, Kiew Orel, Pultowa en Cherson de oogst algemeen bevredigend, in alle overigen min of meer slechts middelmatig was. In het algemeen viel de rogge dit jaar slechts middelmatig, de tarwe slecht uit; het vroeg gezaaide zomer graan (haver en garst) slaagde goed, het later gezaaide maar karig en moesc ten deele nog groen gesneden worden. Van veeziekte hoorde men dit jaar weinig; in den herfst ontving men echter uit enkele oorden nadeelige be. rigtcn, die veelal aan het vogtige voedsel en de natte weiden toegeschre ven weiden. [11 1834 was, wegens misgewas, gelijk men weet, alle' uitvoer van granen verboden; in 1835 werden echter wederom voor 14 mil. Iioen, en in 1836 voor 25 inillioen roebels aan granen uitgevoerd, en men verwacht dat van het gewas van 1837 de uitvoer niet minder bedragen zal.: PORTUGAL.---. Lissabon den 31 December. De berigten over 'Engeland ohtvangen zijn van geen belang. De financiële moeijelijkheden duurden nog voort; de Voor stellen, die daaromtrent door den Minister van Financien gedaan waren, wa. ren niet doorgegaan. Het ivas in de noordelijke én zuidelijke provinciën nog in geenen deele rustig, e:i over,het geheel is de regeringloosheid er groot en het gezag voor de wetten bijna niet bestaande, hetgeen bewezen wordt door de talrijke moorden, die bij aannoudenheid worden gepleegd; in het afgeloo- pen jaar namenrijk, zijn er niet minder dan zes honderd' drie en negentig moor den bekend geworden. SPANJE. Berigten over Parijs van den 11 Januari] In berigten van de zijde der Carlisten wordt verzekerd, dat, behalve de colonne van Garciain de laatste dagen van December nog twee andere colonnes Carlisten, onder Royo en Zavala, de Ebro zijn overgetrokken, na de Christinos, die hnn tegenstand wilden bieden, uiteen gedreven te hebben. Deze twee laatste colonnes hadden die beweging westelijker dan Mèndavia volvoerd. Volgens deze berigten bestaat de geheele magt, die zich naar het zuiden der Ebro begeven heeft, uit 13 bataljons voetvolk, met 4 escadrons ruiters en zes veldstukken; en gedragen zij zich naar een algemeen plan, waarvan de uitvoering aan den door vroegere togten bekenden Generaal Guer. gne is toevertrouwd. Voor den afmarsch dezer verschillende troepen had Don Carlosdoor den Infant Don Sebastian vergezeld, daarover eene grooce wapenschouwing gehouden waarbij hij met veel geestdrift ontvangen was. I11 een berigt van de Italiaansche grenzen van den 26 December leest men: Men verneemt hier uit Spanje, dat het leger van Don Carlos weder geheel georganiseerd is, en indien liet winterweder slechts eenigzins gunstig blijft, zich naar het zuiden in beweging stellen zal. Het is een zeer opmerkelijk verschijnseldatofschoon Don Carlos bijna geheel van geldmiddelen ont bloot is, hij er toch op nieuw in slaagt, om aanzienlijke strijdkrachten te verzamelen en zich geheel slagvaardig te maken. Sedert meer dan een half. jaar ontvangen de Carlistische soldaten naauwelijks de noodige kledingstuk ken, veelniin soldij. Toch nemen zij de beste krijgstucht en de stiptste ge. hoorzaamheid in acht. Uit Bajtonne berigt men van den 7den, dat zich aldaar eene belangrijke artillerie van de Carlisten bevindt, welke bestemd is ter belegering van Bal. maceda. Te Zugarramundi liep een gerucht, dat de Christinos eene neder, laag te Carrapas zouden geleden hebben. Uit verschillende zijden wordt uit Catalonie geschreven, dat, hoewel de Carlisten nu en dan eene nederlaag leden, dezelve echter steeds net land doorkruisten. De opperbevelhebber der Carlisten in Navarre. Garcia, heeft 200 man ligt paardenvolk op de wegen in de nabijheid van Pampeluna geplaatst, ten einde allen invoer te beletten; hetgeen zij mogten aanhouden, zal onder de soldaten en de Junta van Navarre verdeeld worden. Zij beletten voorts alle gemeenschap met Pampeluna. ITALIË. Rome den 30 December. De Paus heeft van de Pruissische Regering de mededeeling Ontvangen, dat de aangelegenheden van het Bisdom van Keulen door het Domkapittel vooreerst zullen behandeld worden. Met dat berigt had de Regering een uitvoerig verhaal overgezonden van de wegvoering des Bisschops en eene uiteenzetting van de gronden, waarop dezelve geschied was. Ook de memoriedie de Pruissische Regering bij die gelegenheid uitgegeven heeft, was met eene renbode te Rome ontvangen en dadelijk aan al de leden van het Corps Diplomatiek medegedeeld. Te Berlijn zouden den 8*Januarij berigten uit Rome ontvangen zijn, welke gunstig met betrekking tot de zaak van den Bisschop voor de Pruis sische Regering zouden luiden en waarin vermeld wordt, dat de Paus zijne toestemming geeft aan de handelwijze in die zaak gevolgd, DUITSCHLAND. De dagbladen berigten eene vrij zonderlinge daadzaaknamelijk een pro. ces, hetwelk tegen de geheele bevolking eener, in het-Groot-Hertogdom Posen gelegene, en Betche genaamde, kleine stad is aangelegd. De akte bij welke zij worden in staat van beschuldiging gesteld, houdt me: zoo vele wootden dat „het allen dieven zijn, van den Burgemeester tot op den nacht wacht." Driehonderd personen, schier allen Joden, zijn te dier zake in hech tenis genomen; de, met de instructie belaste Regeer, heeft eene som van- 200 thalers (circa 370 guldens Nederl.) ontvangen, om een geheel bijzonder locaal te huren, ten einde de tot dit proces behoorende bescheiden en docu- menten t'ê bergen. Als schrijver en verspreider van den onechten Aartsbisschoppelijken 1 brief, die onder den naam van den Aartsbisschop van Keulen geschreven,, in Duitschland veel opzien heeft gebaard,- maar zoowel door den Aartsbis- schop als door de Regering voor valseh verklaard is, noemt men des Aarts bisschop-Secretaris en Kapellaan Michaelis, die daarom van Minden naar Maagdenburg zou overgebragi zijn. t De Sienden van Keur-Hessen hebben in eene zitting van den 6den de zer met groote meerderheid een voorstel aangenomen, strekkende, om de Regering te verzoeken de noodige geldmiddelen van de Stenden te vragen, ten eincie de afgezette Göctingsche Hoogieeraren, de gebroeders Grimm, in hun vaderland te kunnen aanstellen, met bijvoeging, dat de Scenden reedi bij voorraad alle aanvraag daaromtrent zouden goedkeuren. De inschrijving in Duitschland voor de 7 afgezette Göttinger Hoogleera ren bevat reeds, zoover men berekenen kan, 20,000 mark.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Leydse Courant | 1838 | | pagina 2