Omwegen Noordwijks familie-h kijkt terug op een halve eeuw aan stadsuitleg van 1611 De Marepoortsbrug dankt ontstaan ÉÏDEN/REGIO CcidócSomont WOENSDAG 16 MO 1984 PAGINA 5 WET DUBBEL- VERHAAL VAN LAMBERT DROOGH EN ZUN GESLAAGD „ZEERUST Iet verhaal van „Zeerust" is joed het verhaal van ,ambertus Jacobus Droogh. landaag bestaat het hotel Zeerust" in Noordwijk aan ee vijftig jaar en bij het her enken van een halve eeuw erlenen van onderdak aan uizenden nachtrustbehoe- renden neemt Lambert met levensjaren nog steeds en centrale plaats in, ook al de zaak hem zowat over iet hoofd gegroeid. Laten wij .Zeerust" aan een nadere be- chouwing onderwerpen. ,ambert Droogh, namelijk, vas toch wel een bijzondere Dtlgen. Hij werd in 1900 op 1 ecember geboren op een loerderij in Langeraar, een laats waar nog steeds Jrooghen de land-, tuinbouw veeteelt zijn toegedaan, 'oen hij 14 jaar was meende ombert zijn levensvervul- ing te moeten zoeken in de inafzienbare wijngaard des leren. Hij doorliep het jein-seminarie Hageveld, oen nog in Voorhout, en be- andde daarna, geheel vol lens de verwachtingen, op groot-seminarie van Varmond. lier werden de roeping en iet jongemannengemoed van Lambert enigszins geschokt, lij vorderde nog drie jaar op Ie weg naar het altaar en de ielzorg, maar haakte toen af. Vandaag kan Lambert )roogh zich nog een paar Jiervorragende" professoren ran Warmond voor de geest lalen, maar hoeveel lagere vijdingen er (toen nog) wa- ,Ik zou het niet meer veten", mompelt Lambert vat wijfelend voor zich heen: ,Ik studeerde voor diaken", iegt hij met een mystiek glimlachje. Maar nu nog kun je in deze latere hotelier iets herkennen van het „vergees- lelijkte": een wat pastorale, zachtmoedige blik, en de eeu wige pastoorssigaar tussen de vingers. Echter, in 1924 trok Lambert, strijdend en berus tend, zijn toog uit, sloeg de handboeken dicht, meldde zich af bij brompot praeses Taskin en liet zijn kersverse kruinschering nadien over woekeren. Hij viel nu onder de categorie „gedroste of ge sjeesde seminaristen". Maar wel mooi, dat hij binnen een week een baantje kreeg als tijdelijk ambtenaar ter secre tarie op Noordwijk-Binnen. Daar ontplooide de jonge, ge seculariseerde, Droogh zich tot een bekwaam cijferaar en roeide er door alle rangen heen: adjunct-titulair (ƒ500 per jaar), adjunct-commies le klas, chef afdeling algemene zaken. In augustus '41 werd Droogh, die toen toch ruim schoots tot de jaren des on derscheids was gekomen, be noemd tot chef Sociale Za ken. Zijn jaarwedde wordt niet meer genoemd. In '46 nam hij ontslag om zich ge heel aan „Zeerust" te kunnen wijden. Dit vermelden de an nalen. Ik grijp nog even ,terug in de tijd. Het blijkt namelijk, dat Lambert Droogh na zijn Warmondse tijd al vrij snel een plaatsje gevonden had op de kruk bij Maria (Mies) van Kempen in Leiden, pianole rares en twee jaar ouder dan Lambert. Hij wilde „zich in de muziek bekwamen" en al ras speelde het tweetal qua- tre-mains dat het een aard had. Mies was eerlijk; in haar dagboek schreef ze destijds: „Voor de meeste leerlingen had ik veel sympathie, maar deze leerling trof al dadelijk mijn bijzondere aandacht voor zijn spel, daar hij ook zeer veel voor de muziek voelde". Een beetje cryptisch, maar ik begrijp wel wat ze Lambert Droogh, als emeritus gezeten bij de zandbak die op een exotische wijze het strand van Noordwijk symboliseert, mag 50 jaar Zeerust meemaken. Geruggesteund door schoon dochter Ine, en links zoon Joop, baanbrekend exponent van een Noordwijks hotelbedrijf. destijds bedoelde. Drie jaar later waren Lambert en Mies getrouwd. Dubbele villa Dit vind ik nu een mooi ver haal. Mooier nog, misschien, dan de geschiedenis van „Zeerust", de schepping van Lambert in 1934; een hotel dat uiteindelijk een geslaagde business werd, nadat het over bergen en door dalen getrok ken was. In elk geval nam gemeenteambtenaar Droogh al rond '33 het besluit om uit Binnen weg te gaan en zich aan Zee te vestigen. Er werd een huis gebouwd, een dub bele villa, voor twee gezin nen: dat van Lambert en Mies Droogh (bereids voor zien van dochter Dook en zoon Joop) en het gezinnetje van bollenjongen Theo Alke made die met Lamberts zus Cor getrouwd was. Groot ge noeg om er nog een pension in te beginnen ook. In de woestenij aan de Quar- les van Uffordstraat, een zaam en verlaten, bijna in de duinen, werd pension Zeer ust opgetrokken. Lamberts schoondochter Ine Droogh- Goossens blikt terug aan de hand van geschriften: „Ze deden het zelfs zonder riole ring, Lambert en Theo, maar de gasten kwamen in het eerste seizoen al opzetten: volpension 4 gulden per dag; een jaaromzet die nu regel matig in één dag gehaald wordt, van 3 tot 4 mille zeg maar. Vader Lambert ver zorgde het ontbijt en fietste daarna naar de secretarie op Binnen. Dan fietste hij weer terug voor de lunch, en daar na opnieuw naar z'n bureau, 's Avonds om 8 uur serveerde hij thee, na het diner, voor de saamgestroomde gasten, een stuk of 50 al in die tijd rond '34, '35. Opa stopte ze overal in omliggende huizen waar hij kamers gehuurd had. Dat waren de dependances. Hij was nog volkomen leek op het horecagebied, maar leer de het vak gaandeweg, soci aal ingesteld als hij immers was. Oma Mies nam kookles sen bij Jan Schalks in Lei den, bij Bichotte, en verzorg de de hotel-keuken. Haar zus Annie werd in naam pen sionhoudster, want lambert kon als ambtenaar matuur- lijk ook niet tegelijk pension houder zijn". De samenwerking met bol- lenzwager Theo Alkemade verzandde. Met familie is het soms moeilijk vruchten pluk ken; de Alkemades vertrok ken in '38 met vliegend vaandel en slaande trom, al die bedden en tafels goed beu. De Drooghs stonden er alleen voor. De oorlog kwam er tussen, hoe dan ook. Maar in '46 begon Zeerust weer op gang te komen, ook al was er toen nog geen verwarming op de kamers omdat er in die jaren nog slechts seizoenex ploitatie was. Ik laat, omwille Op mijn onnvi'fjcn door stad on land I kom ik graag mensen tegen. U kunt mij telefonisch of schriftelijk vertellen wie u graag in deze rubriek zou willen tegenkomen. Ik ben bereikbaar via 071 MMBFi «BI - 12 22 44 op toestel 10. 'door Ton Ph'Iit* van de ruimte, Zeerust nu maar even flink doorgroeien. Verbouw en aanbouw. Rond '50 kwam Lamberts zoon Joop als 15-jarig jochie er de sfeer snuiven. Hij werd door z'n vader de horecawereld ingeschopt en kreeg buiten landse opleidingen waarbij hij z'n handen moest laten wapperen. In '55 kwam Joop's eerste actieve seizoen (magazijn en bediening) op Zeerust. Inmiddels was er een kok in dienst genomen, Jan Steenbergen, en Mies hoefde vanaf die tijd niet meer te koken, althans niet voor de gasten. Op een droogje Je had van alles in die 50-er jaren. Slecht weer ook en (in '47 nog) het stoken met turf omdat er nog geen oliestook was. Men zat nagenoeg op een droogje. Maar Lambert Droogh had zich in de mate rie vastgebeten en investeer de: tweede etage, eetzaal, parkeerplaats en tuinmuur, etages op eetzaal en verande ring conversatiezaal, bouw van garage. Even daartussen door bezoek van de Dran kwetcontrole. Ik lees in de notulen: „Controleurs nemen alle in de bar aanwezige ster ke drank mee; we hadden al leen Verlof A voor de eetzaal en zo moest er een afschei ding komen tussen eetzaal en conversatiezaal. Dat is een hele affaire geweest". Tegen '62 kon de zaak niet meer stuk: badcellen en dou checellen, de prijzen gingen navenant omhoog. Joop Droogh, als stadhouder, trad in de voetsporen van vader Lambert en samen bewerk ten zij, in '62, de opening van het eerste overdekte hotel zwembad van Nederland. Dat kwam nog op teevee ook. Jaren later was er de solari um-primeur ('69) voor niet-medisch gebruik op het vasteland van Europa. Opnieuw inwendige verbou wingen en moderniseringen (een kinderkamer in de si lence met oppas). En een fris se wind in '66 met de komst van Joop's tweede vrouw, Ine Goossens, die het horeca- hart op de juiste plaats bleek te hebben. Dat begon al met de kinderkamer die Zeerust Racing Centre werd ge noemd. Tenminste, dat meen ik uit de informatie te kun nen halen. Dat zal die met oppas zijn geweest. Want als je niet oppaste, ging je er on derdoor. Na Lambert Droogh (die, nooit officieel het werk heeft neergelegd; hij blijft, via in fluisteringen, wenken en be denkingen, bezig met het fa miliebedrijf) zijn z'n zoon Joop en schoondochter Ine een mooi stel apart. Joop, de linkmiegel die de eerste kunstzon op het Europese contingent deed opgaan, en vrouwe Ine, die een jaar of vijf geleden bij Zeerust voor inwoning zorgde door haar perfecte restaurant De Graaf van het Hoogveen er in on der te brengen. Een etablisse ment, klein maar fijn, dat ze met meesterhand voerde naar eenzame culinaire hoog ten. Elsevier onderscheidde haar platonische Graaf met de onderscheiding voor „de mooiste wijnkaart van Ne derland" (in '81) en vlak daarop kwam prins Bern- hard, door de mazen van zijn agenda heen maar met rooie koontjes, aanzetten met een dergelijk eerbetoon. Dat was Ine's „mooiste dag in mijn le ven". O nee, dat is niet waar. Die mooiste dag Joop is deze dingen allang gewend kwam in februari '82, toen Ine's Graaf van het Hoog veen (ingepakt door een voortreffelijke keuken en aangekleed met cérise, oud- rose en wit) begiftigd werd met een felbegeerde ster, toe gekend door de zeer Frans georiënteerde Michelin-orga- nisatie. Een hele voldoening: Lambert hoort daar nog steeds bij. f De stadsvergroting van 1611 is in deze rubriek al a ?en aantal keren aan de 3rde geweest. Dat is op rich niet verwonderlijk, iaar 12 thans bestaande bruggen hun ontstaan er aan te danken hebben en i twee erdoor werden ge- wijzigd (Blauwpoortsbrug en Alkemadebrug); bo vendien lagen er in die vergroting tussen Mors-, lijnsburger- en Maresin- gel, Oude Herengracht, Oude Vest en Galgewater nog eens 28 inmiddels verdwenen bruggen, af gezien van de ettelijke particuliere bruggetjes iiover de Binnenvestgrach- ten. Op de wijze waarop "deze stadsuitbreiding tot gj stand kwam, is echter j nog niet eerder uitge breid ingegaan. .(.Op 7 januari 1611 diende het Gerecht (het stadsbestuur) .een voorstel in bij de Vroed schap (vergelijkbaar met de Gemeenteraad) om de stad te vergroten, omdat de bevol king er haast uitbarstte. De Vroedschap ging meteen ak koord en landmeter Jan Pie- tersz. Dou kreeg opdracht plannen te ontwerpen. Deze kwamen op 31 januari gereed en op 3 februari keurde de 1 Vroedschap de ontwerpen F goed. De vergunning (tevens k machtiging om tot onteigenin- gen over te gaan) van de Sta- 1 ten van Holland kwam al heel snel af: op 6 mei. Men liet er i geen gras over groeien, want Jlop 11 mei volgden de eerste ij aanbestedingen voor het gra- i ven van de stadsingel en het opwerpen van wallen en bol- berken. iDat, was eigenlijk wel wat overhaast, want op 10 mei J had de Vroedschap de plan- J "en nog eens besproken en I besloten Dou opdracht te ge- ven tot vrij ingrijpende ver anderingen. Deze waren eind mei reeds gereed en zijn ver der ongewijzigd uitgevoerd. Omdat Dou het alleen niet meer aankon, werden twee v. Bruggen, we maken er allemaal gebruik van. Zeker in een water rijke stad als Leiden zijn het on misbare schakels in het wegen net. Veel aandacht is er nooit aan de Leidse bruggen besteed. De stilte rond de Leidse bruggen is met de presentatie van het uitver kochte maar in herdruk zijnde Bruggenboek al gedeeltelijk 'ver stoord'. Het Gemeentearchief aan de Boisotkade hoopt dit jaar de tentoonstelling „De Leidse brug gen" te houden. Als inleiding op deze expositie verschijnt in deze krant een serie artikelen over Leidse bruggen. Het zijn geen technische verhandelingen, maar historische verhalen waarin een Leidse brug als leidraad dient. De gegevens zijn verzameld door een werkgroep van historisch geïnte resseerden, die veel van de ge schiedenis van de Leidse bruggen heeft uitgezocht. Samensteller is de begeleider van de werkgroep, de heer P. J. M. de Baar van het Gemeentearchief. Kees van Her pen tekent voor de eindredactie. De reprodukties zijn van foto graaf Wim van Noort. Vandaag verschijnt het tweeëndertigste ar tikel in deze serie. andere landmeters ingehuurd om al de aan te kopen of te onteigenen percelen op te me ten en te taxeren. Franchoys Verschoten of - zoals hij beter bekend is - Frans van Scho ten was hoogleraar aan de Universiteit en doceerde daar onder meer vestingbouwkun- de. Zijn collega Adriaen de Bruyn was landmeter in voor namelijk het noordelijke deel van Rijnland. Samen ontvin gen ze op 4 oktober 1614 maar liefst 600. Ze zullen het wel verdiend hebben; sommige ei genaars, zoals ene Jacob Huy- gènsz. van der Dussen, strib belden zo erg tegen dat de landmeters er heel wat keren voor terug hebben moeten ko men. Graafwerk Nog in 1611 is er zeer veel graafwerk verricht. Het hele te graven traject voor de sin gels werd in meerdere delen gesplitst en afzonderlijk aan besteed. Veel lieden van el ders wilden wel een gokje wa gen en werden aannemer. Nu waren aannemers van graaf werk nooit erg betrouwbaar; vele polders zijn daar op een pijnlijke manier achter geko men doordat de dijken zo lek als mandjes bleken te zijn. Zo verdween er allerlei rommel in de dijken waar de opzich ters beter maar niet van op de hoogte konden zijn, tot lege vaten toe. Ook de arbeiders waren niet bepaald gezien; het was ruw volk van een weinig betrouwbaar gehalte. Bij grote dijkwerken lagen meestal militairen in de buurt om de eeuwige opstanden snel te kunnen onderdrukken. Ook in Leiden heeft men wei nig redenen gehad om over die arbeiders, die meestal van het ene werk naar het andere trokken, te juichen. Ofschoon de verwerkte aarde wel vrij zacht en vol veen zal hebben gezeten, was het aan tal instortingen van de wal talloos. De aannemers lieten soms de hele boel maar in de steek. In Leiden traden er op merkelijk veel Engelsen en Friezen als aannemer op, die dus gemakkelijk weer elders hun heil konden zoeken. Zo waren Joost Willemsz. van Leeuwarden, Jan Jacobsz. uyt Friesland en Dirck Henricksz. van Harlingen maar een paar aannemers die hun werk net jes afmaakten. De meeste in gestorte gedeelten wal wer den in hoge nood voor herstel opgedragen aan Henrick Schouten, meester ingenieur, die op 16 juli 1612 maar liefst 13.811 gulden, 13 stuivers en 8 penningen ontving. Deze had dit zeer riskante karwei al leen willen aannemen als hij bij een goede voltooiing een geschenk zou krijgen. De goudsmid Sacharias Bartholo- meusz. Cloot leverde op de zelfde dag voor de toen kapi- De Marepoort met rechts achter de houten Trekvaartbrug de Marepoortsbrug, nog met hoge stenen borstwering. Schilderij door Gerrit Groenewegen, ca. 1800, aanwezig in De Lakenhal. Haarlem. Wellicht heeft stad sarchitect Willem van der Helm gedacht dat de brug over de Korte Mare nog wel te handhaven zou zijn, maar op 30 maart 1665 viel toch het besluit om de „Marenbrugge leggende over het watergath nevens de Maerenpoort te doen vernieuwen". Welgeteld drie dagen later al volgde de aanbesteding van deze klus. Gerrit Harmensz. van Aer- denstoff nam voor ƒ345 aan om al het metselwerk tot iets boven de waterlijn af te bre ken en een viertal „pilaeren" zelfs tot op de oude funde ringsschalen. De stad zou daarna het nodige heiwerk la ten verrichten, terwijl Van Aerdenstoff moest zorgen dat er niets zou instorten. Na het heiwerk moest het muurwerk 2XA voet (78,5 cen timeter) hoger dan voorheen worden opgemetseld, terwijl de brug ook 7 voet (2.20 m) langer diende te worden ge maakt. Al het natuursteen- werk moest weer opnieuw worden aangebracht. Het droogmaken en -houden van de bouwput werd voor ƒ200 aangenomen door het beken de duo op dit gebied, Huych Leendertsz. van Leeuweric- kenvelt en Cornelis Dircksz. Deecken. Na het voltooien van de bouwactiviteiten was er nog een karwei: het aan brengen van gietijzeren leu ningen. Op 29 juni 1667 nam Pieter Jansz. van Gelder voor f 160 aan om een grote leu ning aan de zuidzijde van de brug te stellen, die met 55 stij len van type nr. 3 en 230 voet (72.22 meter) onder- en bo venregels strekte van de Kor te Mare over het stenen brug getje voor de Marepoort over de Derde Binnenvestgracht via de Marepoortsbrug over het stenen bruggetje over de Tweede Binnenvestgracht tot op de Nieuwe Mare (dat is de westzijde van de Korte Mare, bij de vroegere broodfabriek). De leuning aan de noordzijde werd, samen met de leunin gen van wat nu de Warmon- derbrug heet, voor ƒ350 aan genomen door Jonas van der Poel. Deze moest vóór 29 sep tember 1667 32 stijlen met spieeën en 13 stijlen met klau wen aanbrengen. Onderhoud Na deze grondige beurt kon de brug er weer jaren tegen; er werd toch al niet erg veel gebruik van gemaakt. Wel was geregeld onderhoud gebo den. Zo werd op 12 maart 1785 door Willem Uljee aan genomen om de hele zuidoost en noordoosthoek tot op het zomerwaterpeil te vernieu wen. De leuningen moesten na grondig schoonmaken en eventuele reparaties weer op hun oude plaats worden aan gebracht. Dat laatste was een klus voor Antonie van den Heuvel, die voor vijf jaar al het te verrichten timmer- en loodgieterswerk in het noor delijk deel van de stad had aangenomen. Een volgende beurt kwam in 1824. Toen nam op 29 juli Pie ter Coloos of Koloos, timmer man te Leiderdorp, aan om binnen drie weken de oude leuningen met natuursteen dekplinten te slopen en na herstel van het natuursteen- werk dit op een verlaagd peil weer aan te brengen. De voorheen onmisbare steunbe ren konden daardoor verval len. Tevens bracht hij een nieuwe drijfboom van zes me ter lengte aan. Deze drijvende balk scharnierde rond een paal in het water en kon op een eenvoudige manier deze toegang tot de stad over water versperren op tijden dat het stadsbestuur geen prijs stelde op ongecontroleerde binnen komst van schepen. Er was immers al smokkelarij ge noeg, en met zo'n boom wer den smokkelaars gedwongen hun goederen over te laden, wat vrij riskant was. In ieder geval in de Rijnsburgerpoort was er ook 's nachts perma nente bewaking. Na 1866, toen de hoge invoerrechten op de meeste in de stad inge voerde artikelen verdwenen, waren deze drijfbomen niet meer nodig en verdwenen ze successievelijk. Volgens een opgave in een als zeer betrouwbaar bekend staand werk zou de brug in 1896 zijn hersteld. Hiervan is echter niets gevonden. Wel werd een paar jaar eerder een nieuw dek aangebracht op de „Oude Marenpoortsbrug", maar dat was toen de naam van de Marebrug over de Oude Vest. Mogelijk is hier door verwarring ontstaan. De brug werd eerst in 1974 weer een beetje opgeknapt. Sedert de afsluiting van de Warmon- derbrug over de Maresingel voor autoverkeer wordt ook de Marepoortsbrug veel min der gebruikt. Het draagt wel licht bij tot het langer behoud van deze brug. De Marepoorts brug gezien vanaf de Nieuwe Mare met enige forse telefoonpalen, ca. 1905. Foto H.G.A. Obreen. tale som van 212 gulden en 9 stuivers „twee silveren scha len met vergulde randen met stadtswapen daerin gesne den". Aannemers als bijvoor beeld Tielman Vrolijck uit Brandenburg hoefden daar niet op te rekenen; ze moch ten al blij zijn als ze niet op hun aanneemsom gekort wer den wegens het niet geheel aan de voorschriften voldoen. Ook de Nieuwe of Korte Mare werd vergraven. Aan het eind van dat rechtgemaakte water kwam een onderdoorgang door de vestwal. Hier werd een brug of eigenlijk een „wa tergat" gemaakt. Al in het na jaar van 1611 werden er door het stadspersoneel declaraties ingediend voor werk aan het nieuwe „Maregat". Wat uiter lijke vorm betreft zal deze brug goed vergelijkbaar zijn geweest met de nog onge schonden bewaard gebleven en uit de zomer van 1611 da terende Vlietbrug (toen Vliet- gat genoemd). Wellicht is de brug al in 1612 gereedgeko men. Aan de westkant ervan lag een brug over de stadssin gel naar de Maredijk en hier ook \Verd in 1627 een (vrij kleine) Marepoort gebouwd. De fundamenten hiervan zijn vorig jaar ontdekt. Deze poort heeft maar kort bestaan. Op 26 oktober 1664 besloot het stadsbestuur om de Mare poort van de westzijde naar de oostzijde van de Korte Mare te verplaatsen, zodat hij een veel betere toegang tot de stad zou geven voor de passa giers van de trekschuit uit

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Leidse Courant | 1984 | | pagina 5