'Jan is niet bijzonder' 'Nu een Leidse marathon met New Yorkse taferelen' Arjen van de Werf droomt er nog dagelijks van Vader Siemerink schrijft verhaal achter tennisser ook nog verantwoording schuldig. Dat hoeft voor mij niet. Jan zit nu bij hen manage mentbureau Pro Serv. Dat scheelt een hoop werk. Als hij zijn toernooien programmeert is een belletje voldoende en liggen de tic kets klaar voor een Australische trip. Dat gaat op dit niveau makkelijk." „Neemt niet weg dat ik er nog veel tijd in moet steken. We zijn begin december een week naar het ECC-toemooi in Antwerpen geweest. Toen ik zaterdagochtend thuis kwam lag er een hele stapel post. Vooral voor en over Jan. Daar ben ik dan een halve dag mee bezig. Mijn bureau puilt inmiddels uit. Er is zelfs een ordner met alleen maar fanmail. De gekste brieven. Een meisje dat vraagt of ze zijn mascotte mag zijn omdat ze Jan zo lief vindt. Maar ook een vent die een heel verhaal opstuurt waarin staat dat Jan verkeerd volleert. Je schrikt er soms van hoe de mensen ermee bezig zijn." „Er is veel veranderd. Ik ben nu bezig met het bestellen van een fax. Pure noodzaak. Of wij thuis nog ergens anders over kunnen praten dan over tennis? Toch wel, maar een gesprek eindigt er vroeg of laat toch weer mee. Als Jan uit het buitenland komt, heb ben we meestal iets geregeld buiten de deur. Een concert of een optreden van een cabaretier. Als afleiding." „Want daar ontbreekt het aan bij die gas ten aan de top. Ze worden alleen maar met tennis beziggehouden. Jan zegt dan, er is geen tijd voor andere dingen', maar in feite moet je de ontspanning dwingend opleg gen. Anders gaat het een keer fout. Maar in feite is voor Jan het thuiskomen in Rijns burg al ontspanning. Dan komt hij tot rust. Kijk eens rond hier in de woonkamer, je ziet niets dat verwijst naar het tennis." „Maar je merkt dat hij al minder vrij is. Als Jan een keer naar zijn zus Mirjam wil gaan kijken bij Unicum aarzelt hij. Terwijl hij bij die club nog steeds als lid hartelijk wordt ontvangen. Maar hij kan er niet meer heen zonder door tientallen mensen te wor den aangeschoten. Goedbedoeld, maar Jan zou liever in een hoekje lekker ongestoord naar zijn zusje willen kijken. Dat zijn van die kleine dingen die je steeds meer in een keurslijf duwen. Hij is vooral voor anderen bijzonder. Wij benadrukken elke dag: Jan Siemerink is niet bijzonder." Het verhaal achter tennisser Jan Sie merink wordt vooral geschreven door zijn vader. En het laatste hoofd stuk is nog lang niet klaar. Want al bereikte de Rijnsburger met de flu welen linkerhand dit jaar zijn hoog tepunt met een eerste Grand Prix-ze ge in Singapore en een 24ste plaats op de wereldranglijst (na Tóm Okker kwam geen Nederlander zo hoog), hij boekt nog steeds vooruitgang. Jan Siemerink senior boekhouder van beroep over de bliksemcarrière van zijn zoon, het voor en tegen van het beroemd zijn, de veranderingen in huize Siemerink en over gewoon blijven doen. „Hij is niet bijzonder. Dat moet je steeds kunnen bena drukken." ROB VAN DER ZANDEN k was zelf niet zo'n begena- I digd tennisser. Toen ik een -A. keer les kreeg, stond Jantje met een racket ergens op de baan. Andere mensen moesten me waarschuwen. Ze zei- v den 'let je effe op Siem, die zoon van je heeft het in zich'. Vanaf dat moment is het begonnen en ben ik me intensief met hem gaan bemoeien. Nu is mijn kijk op tennis natuurlijk veranderd. Ik weet onderhand wel waar het om draait. Ik hoef Jan geen f v technische zaken bij te brengen, maar ook- daar heb ik inmiddels behoorlijk wat ver stand van. Wat wil je. ik heb heel wat trai ningen en wedstrijden gezien in mijn leven. Overal probeerde ik bi^te zijn." „We hebben nooit iets aan het toeval overgelaten en ik heb altijd en overal de vinger aan de pols gehouden. Als dat niet was gebeurd, zou het verhaal Siemerink heel anders luiden denk ik. Ik bracht hem naar de trainingen, bleef kijken en bracht hem weer weg. Niet om hem te verwennen of omdat ik zonodig Pa Siemerink moest spelen. Nee, omdat wij wisten wat we wil den en omdat ik niet afhankelijk wilde zijn van anderen. Dan kon ik alleen mezelf iets verwijten als het mis zou gaan. Je moet toch voor jezelf bezig zijn. Dat is wel eens moei lijk geweest: eigenzinnig je weg vervolgen en niemand voor het hoofd stoten.*' „Herman van der Capellen heeft hem in zijn jonge jaren veel geleerd. Ik genoot van die trainingen. Maar Herman werd op den duur een beetje slordig. Terwijl ik er tijdens Studio Sport weer gewöon stond op zon dagavond. Dat kan bij mij maar één keer, zoiets. Dat bedoel ik. Wij hielden ons aan de afspraken en kunnen iedereen recht in de ogen blijven kijken." „Door de jaren heeft Jan zelf dat verant- woordelijksgevoel ook gekregen. Die war- ming-up moet hij ook doen als ik er niet ben. Ik zeg: 'het is je werk, als ik er met de pet naar gooi, vlieg ik er ook uit'. Ik kan hem nu niet overal meer volgen. Dat kost me wel eens moeite, ja. Jan had ook geen profvoetballer moeten worden, want dan had ik het moeilijk gehad. Dan had ik hem niet zo individueel kunnen begeleiden." INTELLIGENTIE „Topsport is niet alleen talent en mentali teit, maar vooral intelligentie. Je moet door hebben waar het om draait. We zijn genoeg figuren tegengekomen met een hoed op en een grote sigaar in de mond. Ze konden geld en schouderklopjes geven, maar wat heb ik daar aan. Dan ben ik aan die mensen Jan Siemerink senior Topsport is een kwestie van intelligentie'. foto loek zuyderduin Een 'beetje' stad heeft vandaag de dag een marathon op maat. Athene, Tokyo, New York, Londen, Berlijn, Boston, Rotterdam en Enschede zijn willekeurige voorbeelden uit een schier eindeloze rij van namen waar wordt afgezien. Inmiddels heeft Lei den zich dit jaar bij die nog almaar groeiende stedenclub aangesloten. Ook op de Stationsweg wordt voort aan de dappere Pheidippides geëerd met een heuse monstertocht. De Griekse boodschapper legde in het jaar 490 voor Christus de 42 kilome ter en nog wat al hardlopend af om gewag te doen van de overwinning van de Atheners op de Perzen bij het plaatsje Marathon. Hij stortte vervol gens dood ter aarde. Een terugblik en een gesprek met organisator Tjeerd Scheffer. AD VAN KAAM Aflevering één, op 16 juni van dit jaar in de Sleutelstad, heette een eclatant succes te zijn. Waarbij, a la New York in het klein, meteen ook maar de wet van de grote getallen in werking trad. Meer dan 400 vrijwilligers, meer dan 3000 deelnemers en meer dan een veelvoud daarvan aan toeschouwers. Slechts één winnaar uiteraard, hoewel de schor geschreeuwde speaker Teun de Ree- de iedereen die de meet passeerde als zoda nig bestempelde. Ongeacht de tijd die op de klokken verscheen. Dat de enige echte winnaar, Huub Pragt, uit de stad Leiden zelf afkomstig was, droeg nog eens extra bij aan de feestvreugde. De tijd die de egyptoloog neerzette, 2.20.43, mocht er zeker zijn. „En het had nog veel sneller gekund", stak hij de route-uitzetters een pluim op de hoed, „als ik hier op wat meer tegenstand was gestuit" Die had hij misschien kunnen krijgen van de Pool Wieslaw Szulc. Als die althans niet bij de splitsing voor de hele en halve mara thon per ongeluk voor de snelste weg naar huis had gekozen. Wist hij veel wat 'heel' en 'half in het Nederlands betekende? Ijlings voorzag de organisatie hem van de ter plek ke ingestelde pechprijs van 500 gulden. Was-ie niet helemaal voor niets naar Leiden gekomen. Er ging trouwens nog wel meer mis bij deze vuurdoop. Met het 'dieselhappen' voor de atleten op de Breestraat bijvoor beeld. Want de bussen reden gedurende de marathon gewoon door. De late aanmel ding van veel lopers zorgde aan het eind van de rit voor langdurige stagnatie bij de verwerking van de resultaten die niet eerder dan vier uur 's nachts afkwamen. De afzet ting op het terrein bij de start en finish deugde niet waardoor er sprake was van soms chaotische taferelen. De Groenoord- hal als permanence lag te ver verwijderd van de start. En nog wat van die kleine din gen. „Maar op alle punten die toen zijn misge gaan", blikt organisator Tjeerd Scheffer een half jaar na dato terug alsook vooruit, „wil len we bij de tweede aflevering van de Leid- se marathon juist scoren. Dat is wat we ons bij de evaluatie heilig hebben voorgeno men. Jazeker, we zijn al lang bezig met afle vering twee. Eigenlijk nog voordat de eerste goed en wel was afgelopen. De eerste was voor ons in feite één groot leerproces. Om de theorie te toetsen aan de praktijk. Je moet er eerst eentje daadwerkelijk organi seren om te weten waar je zwakke punten zitten." De doelstelling voor de tweede marathon, in 1992 te houden op zondag 31 mei, blijft dezelfde: de stad een dag op stelten zetten. In de positieve zin van het woord dan. Startgelden betalen blijft uit den boze. Lei den richt zich op nationale subtoppers die nog willen lopen voor een aantrekkelijk Deelnemers blijven bij tweede editie in bebouwde kom prijzengeld. En Leiden richt zich op de breedte, want de organisatie is afgestemd op 5000 deelnemers. Het uitgangspunt mag dan ongewijzigd zijn; het parcours is straks wel degelijk an ders. „We willen er", legt Scheffer uit, „een echte happening van maken. New Yorkse taferelen, zeg maar. Dat stuk vorig jaar langs Wassenaar en door de Horsten was mooi. Maar ook erg rustig van de kant van de toeschouwers. In plaats van een fraaie natuur zoeken we ditmaal de ambiance van de stad. We blijven dus binnen de bebouw de kom. Leiden en direct aanpalende ge meenten als Leiderdorp, Voorschoten en Oegstgeest. Aardiger voor de kijkers, leuker voor de lopers. We willen zoveel mogelijk mensen op straat." Over gebrek aan medewerking hebben Scheffer en zijn companen van de Leidse Road Runners Club niet te klagen. Vrijwel alle vrijwilligers staan er straks weer. De contacten met politie en gemeente zijt^ goed, sponsor 3M gaat door en de actie om een selecte groep van 42 subsponsors elke kilometer te laten 'coveren', lijkt een grote kans van slagen te hebben. Kortom de per spectieven om het evenement vast op de kaart te pinnen ogen goed. .Absoluutis Scheffers heilige overtuiging. „We hebben alleen maar geleerd van onze fouten. En de eerste was al zo mooi..." prachtig gevonden, hoor, maar ik besef heel goed dat datzelfde publiek je ophangt als je verliest." Verliezen kwam in 1991 niet in het Kat- wijkse woordenboek voor. Met het slot van de competitie in zicht bewoog Quick Boys zich flitsend over de grasmat Voor Van de Werf vormt de met 6-2 gewonnen uitwed strijd tegen WOG in Harderwijk het absolu te hoogtepunt. „Het was de gewoonte om na een uitwedstrijd ergens te gaan eten. Maar om de supporters een dienst te bewij zen, reden we direct door naar Katwijk. Dat hebben we geweten. We werden opgewacht door zeker 2000 man, die allemaal door het dolle heen waren." Van de Werf ergert zich nog steeds aan uitspraken dat zijn bijdrage in het kam pioenschap weg te cijferen zou zijn. „Hoe klein mijn aandeel dan ook is, ik heb eraan meegeholpen. En dat zeg ik heus niet om mezelf op de borst te slaan. Tactiek, opstel lingen waarin soms bekende namen ont braken, analyses van de tegenstander, daar was ik verantwoordelijk voor. Het is alle maal goed uitgepakt. Je kunt dan stellen dat het geluk is, maar ik zie dat toch anders." VUUR Spelers gingen door Van de Werf door het vuur. „Ik heb hele vervelende beslissingen moeten nemen. Cracks als Edwin Otte en Floor van Duyn heb ik op de bank gezet. Dat werd me niet in dank afgenomen. Die rooie (Frenk van der Kleij) kon me af en toe wel wat doen, als ik hem er weer eens naast had gehouden. Dan zei-ie tijdens de wed strijdbespreking: 'Je vrouw heeft die opstel ling zeker gemaakt'. Maar we wonnen meestal en de winnaar heeft altijd gelijk." Katwijk en Van de Werf leefden in een roes. Het zelfvertrouwen en de daarbij be horende dosis bluf werd niet door een iéder gewaardeerd. Na het jaarlijkse wedstrijdje tussen trainers en pers bij ASC ergerde een Oegstgeestenaar zich groen en geel aan het gedrag van Van de Werf, die met een dikke sigaar en een vette glimlach in de kantine rondstapte. Na diens opmerking „als ik hier nu trainer word, gooi ik jou er als eerste uit," kon de ASC-er nog maar net in be dwang worden gehouden. Zelfvertrouwen en een dosis bluf. Het wa ren de handelsmerken van Quick Boys en ook Van de Werf. De oefenmeester ervaarde het geenszins als een degradatie, toen hij in augustus voor de eerste training van de lan delijke jeugd werd verwacht. Want werken met jongeren vindt hij interessant. „Maar als je van te voren weet dat je zo'n seizoen meemaakt als bij Quick Boys dit jaar, dan teken ik zo. Daar ben ik ook eerlijk in." Als bezitter van het oefenmeester 2-diplo- ma is Arjen van de Werf echter beperkt in zijn keuze. Mede daarom houdt hij domici lie op Nieuw Zuid. „Wat mij bij de jeugd aanspreekt? Ie ziet sneller resultaten. Ik krijg een kick als ik Jan Jeroen Schaap én Marco Ruwaard nu in Quick Boys één zie spelen. Dat zijn toch een beetje mijn jon gens. En daar doe je het allemaal voor. Eens in de twee, drie jaar moet er een speler doorbreken in het eerste. Dan ben je goed bezig. En of er nu wel of geen publiek aan de kant zit, dat maakt me allemaal niks uit. Het is allemaal zo betrekkelijk. De mensen zijn je zo weer vergeten." Het archief in elk geval niet. De naam van Arjen van de Werf is met goud in de anna len bijgeschreven. „Of ik het mis? Ik ben ik elk geval blij dat ik van die druk af ben. Het afgelopen jaar was slopend. M'n vrouw en m'n drie kindertjes hebben niets aan me gehad, want ik was elke dag bezig met Quick Boys. Trainingen, analyses maken, trainingen voorbereiden, enzovoort. Nu be grijp ik ook waarom er onder die trainers zoveel echtscheidingen zijn. Het sociale le ven schiet er volledig bij in." „Wat ik wel mis is het contact met de groep. Als het even kan, ga ik naar een wed strijd toe, maar na afloop ben ik direct weg. Als ik me in de bestuurskamer vertoon, krijg je toch alleen maar praatjes. Weet je wat ik vaak doe? Kijken naar de training." Om in gedachten het succesvolle verle den maar weer eens te laten herleven. Nog dagelijks doemt de grandio ze gebeurtenis in zijn geheugen op. Aijen van de Werf kan het kampioenschap van Quick Boys maar niet van zich afzetten. Nu niet en straks vermoe delijk ook niet. De generaal van het vorige seizoen fungeert inmiddels weer als luite nant van de voetbaltroepen. -In de luwte stoomt hij de Katwijkse talenten klaar voor het grote werk op Nieuw Zuid. De held van het afgelopen seizoen voelt zich daarvoor zeker niet te groot. Sterker: „Ik werk nog 10 jaar bij de jeugd en dan houd ik het voor gezien." Arjen van de Werf is een bijzonder kind. Iedere collega zou de prestatie met Quick Boys onmiddellijk te gelde hebben ge maakt, maar de 41-jarige gymnastiekonder- wijzer zit anders in elkaar. Geld en aanzien interesseren hem nauwelijks. Als de werk omgeving hem aanspreekt, dan blijft-ie zit ten waar hij zit. „Als leraar had ik het ergens anders financieel beter kunnen hebben. Ze ker weten. Maar nu ga ik elke dag fluitend naar m'n werk. Dat is voor mij het voor naamste." Nieuw Zuid roerde zich afgelopen jaar. De hoofdmacht, tot dan toe een kwart eeuw titelloos en daardoor boordevol frustraties, Arjen van de Werf'Ik heb de hele zomer in een roes geleefd. foto wim dhkman gooide alle schroom van zich af en greep begrijpelijk, want de invaller van de opge- twee prijzen: de afdelings- en zaterdagtitel. stapte Melbi Raboeil werd op handen ge- De respons van het Katwijkse publiek zal dragen. „Zo gaat dat in de voetballerij. Als je Arjen van de Werf altijd bijblijven. Niet on- wint ben je de held. Ik heb het allemaal m START 3M

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Leidsch Dagblad | 1991 | | pagina 31