De Tram Fiets neemt de tram 'Soms roepen we nog: Ja, rijden maar Lodewijk' Verhalen van lezers Conducteur kwijt na een sanitaire stop 'Vaste' passagiers gingen voor elkaar door het vuur Meer zakgeld dank zij de Blauwe Klucht op rails bij Minerva Tweejarige met een verwijsbrief Donderdag 8 november 1991 Redactie: 071-161417 Eindredactie: PAUL DE TOMBE Vormgeving: RON VAN HAASTREGT 21 De inzending van stukken van lezers over de tram die 30 jaar geleden verdween uit Leiden en omgeving is overweldi gend. Kort nadat de oproep in de krant was verschenen, stroomden de herinneringen en de verhalen binnen. Som migen hadden nostalgische gevoelens, anderen beschre ven uitgebreid hun visie op het openbaar vervoer. De één recontrueerde zorgvuldig een kleine gebeurtenis in de tram, de ander deed verregaande voorstellen voor het opnieuw invoeren van de tram in Lei den. Foto's, historische over zichten, uitnodigingen, dienst regelingen en zeer precieze routekaartjes (opgestuurd in een envelop van het ministerie van defensie!) stapelden zich op in het redactielokaal. Enkele suggesties, ideeën en citaten zijn verwerkt in de arti kelenreeks die het Leidsch Dagblad deze week brengt. Uit de overige ingezonden stuk ken hebben wij de leukste, spannendste of meest ontroe rende gekozen. Die selectie vindt U vandaag op deze pagi na aangevuld met foto's die vele tramliefhebbers ons in bruikleen afstonden. Doordat er zo veel materiaal is binnen gekomen komt er later deze week nog een pagina met een bloemlezing uit de verhalen die U ons heeft gestuurd. Er zijn dingen die deel uitmaken van je dagelijks leven. Je staat er niet bij stil, ze zijn er gewoon en je maakt er gebruik van. Jarenlang kom je de poort uitrennen, de Rijnsburgerweg op. Automa tisch kijk je naar rechts. Als de tram er aankomt, moet je hardlopend naar de overkant, is hij nog niet in zicht, dan kun je rustig oversteken. Maar ineens wordt zo'n ding geschiedenis, iets waar de ouderen verhalen over kunnen vertellen. Je wordt ineens een persoon van belang, iemand die het zelf nog heeft meegemaakt. Interessant. De tram was onmisbaar. Hij was de verbinding tussen 'ons van over de spoorbomen' en de stad. Op zaterdagsavond, als de winkels tot tien uur open waren, gingen we wel eens met onze ouders naar de stad, voor een nieuwe jurk, nieuwe schoenen, een nieuwe jas. In de stad was het feestelijk en gezellig. Overal lichten en drukte. Bij V D kregen we na afloop in de lunchroom een kindercomplet: een blad vol limonade, een ge bakje, koekjes en ijs met een poppetje of een pa rapluutje. En dan weer met de tram naar huis. Een retourtje kostte een dubbeltje en kinderen tot tien jaar betaalden minder. In de oorlogsjaren waren de trams altijd stamp vol. Ik weet niet hoe dat kwam. Waren er toen minder trams of moesten de mensen meer op pad? Dikwijls stonden we tijdenlang te wachten bij de halte Leidsebuurt. Opgelucht haalden we adem, als we de stadstram in de verte om de bocht zagen komen, richting Rijndijk. Mis. Al gauw zagen we weer trossen "passa giers" op de treeplanken hangen. Tien handen klemden zich krampachtig vast aan de lange handgreep naast de deur, die nooit dicht kon. De tram stoof zonder vaart te minderen voorbij. Er kon echt niemand meer in. Soms stopte hij toch nog, een eindje voorbij de halte, omdat er iemand uit moest. Die persoon was niet te benijden. Eerst had hij zich door de mensenmenigte binnen moeten wringen en de 'tros' was niet zomaar be reid om de moeizaam veroverde plaats te verla ten. Immers, het was lang niet zeker dat je je voet weer op de treeplank kon krijgen voordat de tram wegreed. Na enig worstelen landde de uitstapper meestal toch op de begane grond. Intussen waren dan de wachtenden komen aanrennen, in de hoop toch nog een plekje, al was het maar voor één teen, te bemachtigen. „Niet meer instappen! riep de conducteur dreigend. De conducteurs waren in die tijd vaak chagrijnig. Geen wonder. Als er binnen nog wat ruimte was, werden instappers verwelkomd met de woorden: „Doorlopen naar voren!" Maar dikwijls wilde ie mand die dan net een voorwerp had gevonden waaraan hij zich kon vasthouden, die plek niet meer prijsgeven. Ook had niet iedereen gepast geld en de conducteur kon niet altijd wisselen. Soms kwam er ruzie van. Er was een conductrice die niet op haar mondje gevallen was en die met vaste hand de orde in haar tram handhaafde. „Ik zal me over u beklagen!" riep een man woedend. „Moet u doen mijnheer, het adres is Rijnsburger weg 2", was het lakonieke antwoord. En ze ging verder naar de volgende passagier. Van september '44 tot enige maanden na de be vrijding reden er geen trams. Niets reed er meer, behalve karretjes en sleden die je zelf kon trek ken. Na de oorlog kwam er geleidelijk wat meer ruim te in de tram. De conducteurs werden gemoede lijker en er kon weer gelachen worden. Ze riepen „Rijje maarrr" of „Karrre maarrr". Eén conduc teur kan ik me nog goed herinneren. Een rustige, vriendelijke man. Zijn naam zal ik nooit te weten komen, maar zijn: „Ja, riiden maar Lodewijk". in keurig A.B.N. is onsterfelijk geworden. Soms, als we voor een stoplicht staan en de automobilist voor ons niet snel genoeg het groene licht ziet, roept een van ons ween „Ja, rijden maar Lode wijk.". Erica Neudecker-Engels Schagen Ode aan de Leidse stadstram Laatst moest ik in een volle tram, van Leiden naar Oegstgeest, ik was daar sinds verleden jaar heel'maal niet meer geweest, ik stapte bij 't Plantsoen er in en hup daar ging dat ding, de wagenvoerder belde hard, ping, ping, pingeling. Doch midden op de Hogewoerd, wat hadden wij een pech, een wagen van Van Gend Loos stond midden op de weg, de baas die trek in roken had, een winkel binnenging, de wagenvoerder belde hard, ping, ping, pingeling. De Breestraat op, eerst ging het goed, maar ach toen werd het kwaad, een Leids student die dronken was, lag midden op de straat, ze rolden hem maar aan de kant, voordat de tram weer ging, de wagenvoerder belde hard, ping, ping, pingeling. Zo kwam ik eind'lijk in Oegstgeest, een hallef uur te laat, maar tante had de koffie klaar, en was op mij niet kwaad, ze bromde alleen op de tram, dat malle oude ding, de wagenvoerder belde hard, ping, ping, pingeling. (Op de lagere school geleerd 1951) H. P. van der Reijden. Leiden. Dertien jaar op en neer naar Den Haag van 1926 tot 1939, el ke ochtend op dezelfde tijd. Om 7.30 uur uit Leiden en om 8.10 uur in Den Haag op het Bezui- denhout. Voor alle vaste passa giers begon het werk om half negen, dus iedere ochtend met dezelfde ploeg en ook meestal dezelfde conducteur, die geen kaartjes hoefde te knippen om dat we natuurlijk een abonne ment hadden. In de 'blauwe' hadden wij een klaverjasclub. Na binnenkomst namen wij amper de tijd om onze jas en hoed af te doen; we zochten snel een vierzitter, ook wel eens met rieten banken, ak tetas met twaalfuurtje op schoot en dan maar 'jassen'. Het spel ging nooit om geld al leen om het gewin en er werden dan ook heel wat zegekreten ge slaakt, als de punten bij het ein de van de Schenkweg werden geteld. Nog weet ik de namen van de 'halfacht-klanten' en de haltes: Zilverfabriek, Vemede- park, Dorp, Papelaan, Knip, Schakenbos, Rozenrust, Leids- chendam, Voorburg. Dikwijls wachtte de wagenvoer der als een vaste klant zijn huis uitkwam, want alles was zeer gemoedelijk in deze jaren. Er bestond in die tijd een vaste band tussen conducteurs en passagiers en mede daardoor kwam het tot de volgende ware gebeurtenis. Op een mooie warme zomer ochtend in 1930 reden wij met een voor ons bekende conduc teur, die wij de fluitist noemden en die ons bij het kaarten dikwijls raad gaf. Voor halte Schakenbos zei hij tegen ons dat hij heel nodig moest. Achter in de tram, in de bestuurdersca bine trok hij zijn uniformjas en zijn bretels alvast uit - bij de halte aangekomen stapte hij achter uit en ging zitten. De lolbroek uit ons gezelschap stond op en drukte tweemaal op de bel ten teken aan de wa genvoerder dat de tram kon gaan rijden. Wij zaten 'm daar na wel een beetje te knijpen en de conducteur ook, want de tram reed daar nog grotendeels door de weilanden. Bij de halte Leidschendam aangekomen bleef de tram staan omdat er niemand op de bel drukte en de wagenvoerder kwam na een paar minuten naar achter om te kijken wat er aan de hand was. Hij vroeg ons of wij zijn con ducteur hadden gezien, maar wij wisten natuurlijk van niets. Omdat hij daar niet kon blijven staan is hij doorgereden naar Voorburg waar hij er op kantoor melding maakte dat hij zijn maat was kwijtgeraakt. De chef aldaar gaf de wagenvoerder die naar Leiden ging, opdracht uit te kijken naar de verloren con ducteur. Hij kwam 'm onder Leidschendam tegen, lopend over de bielzén, met zijn han den zijn broek ophoudend. P.S. Al de personen over wie ik sprak zijn niet meer in leven, ik was de jongste, 21 jaar oud. In de jaren dertig ging elke dag (6 dagen in de week voor 2,50 per maand) met de Blauwe tram naar Voorschoten, 's Win ters altijd in een heerlijk warme tram. Omdat ik altijd op het laatste nippertje uit bed kwam, ik woonde in de toenmalige Ka- merlingh Onneslaan, stond mijn vader elke ochtend aan de deur te kijken of de tram de hoek omkwam, zodat ik 'm dan net kon halen. Een keer was ik weer eens net op tijd. Ik sprong in de tram, terwijl die zich met een schok in beweging zette. Daardoor ver loor ik mijn evenwicht en trapte achterwaarts op de voet van een vrouw die eveneens op het bal kon stond. Grote consternatie, want deze 'dame' begon me verschrikkelijk uit te schelden. Zij hield daar ook niet meer mee op, totdat de andere passa giers haar begonnen uit te schelden. Terwijl ik inmiddels stond te beven als een riet, na men zij me in bescherming. Dat kwam omdat ik elke dag met dezelfde mensen reisde en die gingen ten slotte voor elkaar door 't vuur. Tramlijn Begeerte (A streetcar named desire) is de titel van één van de beroemdste toneelstukken aller tijden, waarin de tram van New Orleans een belangrijke rol speelt. De tram in Leiden reed in de jaren vijftig ooit langs de bioscoop aan de Steenstraat met het reclamebord voor de film Het Eiland van Begeerte (foto boven). Op de Hoge Rijndijk kraakte de stadstram eens een auto, wat de gespannen verhouding tussen tram en auto mobiel in die jaren illustreert. foto's nico van der horst Iedere dag fietste ik samen met mijn verloofde vanuit Oegst geest, waar zij werkte, terug naar Leiden. Zo ook op de dag waarop dit verhaal zich afspeelt. Het was bijna half zes en vanaf de Blauwpoortsbrug reden we richting Kort Rapenburg. Het was in die tijd nog niet druk op straat maar enige voorzichtig heid in het verkeer was niette min geboden. Met name op de hoek Kort Rapenburg-Bree- straat was het oppassen gebla zen. De situatie aan het Kort Rapenburg was dusdanig dat de Blauwe Tram nogal wat ruimte nodig had om zijn bocht te ma ken richting Breestraat. De tramrails liep er slechts dertig centimeter van het trottoir af. Als fietser moest je, als er tege lijkertijd een tram door de bocht ging, of over een zeer smal stuur en stalen zenuwen beschikken of je moest gewoon even stoppen op een punt waar de tram de stoep nog niet zo dicht was genaderd. In gezel schap van mijn verloofde was het natuurlijk wel duidelijk dat ik voor het laatste koos. Zo stonden we die dag op onze fietsen op de tram te wachten, ter hoogte van de winkel van Jan de Nie. Het verkeer op het kruispunt Noordeinde Kort Rapenburg Breestraat werd door middel van verkeerslichten geregeld en de bediening hiervan geschied de door een verkeersagent van af een schakelpaneel op het trottoir voor de Gijzelaarsbank. De tram die ons van achter na derde bestond uit een motor wagen met daaraan gekoppeld één of twee rijtuigen. Het rem- systeem van genoemde combi natie werd door middel van perslucht in werking gesteld en deze lucht werd van het ene naar het andere rijtuig 'getrans porteerd' met behulp van rub beren slangen, voorzien van koppelingen. Het laatste rijtuig had uiteraard ook zo'n slang. Deze was echter niet in bedrijf, hing er wat doelloos bij had met name in bochten de neiging om zijn eigen weg te gaan. Naast elkaar stonden wij te wachten tot de tram gepasseerd zou zijn, de motorwagen was al voorbij, het wachten was alleen nog op het laatste rijtuig. Dat kwam langs met alles wat er aan vast zat, dus ook met de losse luchtslang. Die werd door de middelpuntvliedende kracht naar buiten gezwaaid en sloeg precies in de ruimte tussen mijn fietsstuur en de handrem. Dit alles ging met zo'n grote kracht dat mijn fiets in één ruk onder mijn gat werd weggetrokken. Ik wist mezelf nog wel op de been te houden, maar bleef toch met een 'leeg' gevoel ach ter. Daar bungelde mijn fiets achter de tram aan richting Breestraat. Mijn poging om de tram rennend in te halen om de fiets van de slang af te trekken bleek al snel kansloos want de tram had inmiddels al een te grote snelheid ontwikkeld. Er zat dus niets anders op dan sa men met mijn verloofde op haar fiets naar huis te gaan... Of zou die agent die het ver keer stond te regelen mis schien.... Ja, dus. De agent zag op een gegeven moment een fiets achter een tram de Bree straat op schieten en probeerde met een korte felle sprint de tram in te halen om de fiets los te krijgen. Hij slaagde daar bijna in - het verschil tussen 'bijna' en 'helemaal' zat 'm in het feit dat hij sneller liep dan zijn be nen konden. Hij struikelde, was totaal uit balans en kon alleen nog steun vinden in het portiek van de toen aan de Breestraat gevestigde bloemenzaak van de fa. Buurman. Hij schoof daar dan ook op zijn buik naar bin nen. Een rouwboeket kon ge lukkig achterwege blijven. Mijn fiets bungelde ondertus sen vrolijk verder aan de tram en vervolgde zijn weg alsof er niets aan de hand was. Andere weggebruikers dachten hier an ders over en één van hen on dernam op de fiets een alles-of- niets-poging en passeerde met gevaar voor eigen leven de tram aan de linker zijde. Hij wist de aandacht van de trambestuur der te trekken, vertelde hem van het extra aanhangels op twee wielen en'het resultaat was dat de tram tot stilstand kwam ter hoogte van sociëteit Minerva. Inmiddels was ik richting Bree straat gelopen, waar tram en fiets ongeduldig stonden te wachten. Noch tram, noch fiets had iets overgehouden aan de kortstondige innige relatie. D. J. van den Berg Leiden Als 14-iarige knaap werkte ik in de grofsmederij aan de Zuidsin gel waar nu Het Ankerpark is. Voor mijn baas moest ik dage lijks het middageten halen in de Johan de Wittstraat bij Oegst geest. Als het goed weer was ging ik met de fiets maar 's win ters gaf hij mij een dubbeltje mee voor de tram. Een enkele rit kostte toen 5 cent. Maar ik ging niet met de tram. Ik stak dat dubbeltje in m'n zak en ik ging hardlopend naar z'n huis neen en weer. Als het een koude week verdiende ik op die ma nier 2 kwartjes. Ik kreeg toen officieel 10 cent per uur. Wij werkten in de week nog 48 uur, dus had ik 4,80. Daarvan kreeg ik 2 kwartjes zak geld van m'n moeder. Dank zij m'n baas en de tram had ik dikwijls 1 gulden per week. M. Tuurenhout Leiden Op een prachtige zomeravond in juli 1947 surveilleerde ik als politieman op de Breestraat. Het was bladstil en warm. Toen ik de sociëteit Minerva naderde zag ik dat op de tramrails vlak voor Minerva een tafel was neergezet met eromheen een stuk of viif, zes stoelen, bezet door nogal luidruchtige studen ten. Omdat de laatste tram uit Den Haag nog moest komen verzocht ik de heren het meubi lair van de rails te verwijderen. De studenten voelden daar klaarblijkelijk niets voor. De tram moest maar stoppen, von den ze. En inderdaad, enige minuten daarna kwam de tram. De be stuurder reed tot vlakbij de tafel en stopte toen. Hij en de con ducteur kwamen de tram uit en vroegen beleefd of de heren het spul maar van de rijbaan wilden halen. Het enige antwoord was dronkemanspraat alsmede een verzoek om een borreltje mee te drinken. De trammensen brachten nog naar voren dat ze een lange werkdag in de hete tram hadden doorgebracht en dat ze wel graag naar bed wil den. Toen alle verzoeken geen gevolg hadden gingen beiden de tram weer in en de bestuur der bracht de tram heel voor zichtig in beweging. Hoewel de studenten niet geloofden dat de bestuurder door zou rijden sprongen ze voor alle zekerheid toch maar van hun stoelen af. De trambestuurder stopte niet meer. En daar gingen de ta fel en de stoelen al krakend in brandhout over! Een paar brok stukken bleven aan de voorzijde van de tram hangen. Bij het Kort Rapenburg stopte de be stuurder. kwam naar buiten en smeet onverstoorbaar de laatste spaanders van de tram. Daarna stapte hij in en reed weg, de studenten na de klucht ver baasd en verbijsterd achterla tend. M. Bakker. Leiden. Dat de Blauwe Tram een veilig en gemakkelijk vervoermiddel was. blijkt uit het feit dat ik. als ongeveer 2-jarige, voor de remi se aan de Hoge Rijndijk door mijn vader op ae tram werd ge zet. Voor een rit naar m'n tante in Oegsgeest. Met een briefje op m'n jas ge speld, waarop stond: „ik ben Godert en moet eruit aan de Kempenaerstraat, waar ik word opgewacht door m'n tante." Voor het bedrag van 3 cent per enkele reis, kwam alles keurig in orde en als ik geluk had kreeg ik nog een pepermuntje van de conducteur. G. Volbeda, Leiden.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Leidsch Dagblad | 1991 | | pagina 21