16 MAANDAG 24 FEBRUARI 1941. Gemeente-begrooting. (Idenburg e.a.) Beraadslaging over volgnr. 382, luidende„Kosten van exploi tatie en bediening van derioolwaterzuiveringsinrichting f5096. De heer Idenburg zegt, dat betreffende de kosten van exploitatie en bediening van de rioolwaterzuiveringsinstallatie ten aanzien van het Academisch Ziekenhuis zich nog altijd allerlei vragen voordoen. Geruimen tijd geleden is het Aca demisch Ziekenhuis op de rioleering aangesloten; er zijn steeds vele klachten over en nog altijd is het niet tot een behoorlijke regeling tusschen Rijk en gemeente gekomen. Hoe staat deze zaak op het o ogen blik? Is binnenkort een bevredigende oplossing van deze zaak te verwachten! De heer Wilbrink zegt, dat zeer binnenkort een bevredi gende regeling is te verwachten, mits de Rijksgebouwendienst een wat toeschietelijker standpunt inneemt. Maar wanneer deze op het standpunt blijft staan: wij doen niets, want de gemeente moet haar rioleering maar maken naar de onze, dan komt er niets van. Dan zou de gemeente de rioleering altijd moeten aanleggen, nadat een pariculier al gebouwd had, want in dit opzicht is het Rijk tegenover de gemeente gelijk aan een particulier; dan zou de gemeente niet aangeven hoe de rioleering zou worden aangelegd, maar dan zouden de belanghebbenden, de burgerij of de industrie, dat doen; dit zou voor de gemeente een onmogelijke situatie scheppen. Een bevredigende regeling is dus alleen mogelijk, wanneer de Rijksgebouwendienst inziet, dat op het oogenblik die rioleering niet deugtdeze is nl. speciaal ingericht op loozing in een sloot, terwijl men toch allang had kunnen weten, dat men er daarmede niet af is, maar dat ze op een riool moest worden aangesloten. De heer Idenburg meende, dat van de zijde van het Rijk de grief juist is, dat indertijd, toen over alles overlegd is, het Rijk eigenlijk niet behoorlijk de gegevens heeft gekregen, waarover de gemeente toen de beschikking had. Het Rijk is toen, afgaande op de gegevens, die het gekregen had, tot den bouw overgegaan; later heeft de gemeente die rioleering op een bepaalde wijze vastgesteld en wel volgens gegevens, die toen het Rijk aan het bouwen ging nog niet ter beschikking waren. Dit is juist de grief van het Rijk. De heer Wilbrink zegt, dat de dieprioleering volgens de reeds jaren bestaande en vastgestelde plannen is uitgevoerd. Bij den aanleg van de rioleering op het terrein van het Aca demisch Ziekenhuis is men evenwel uitgegaan van de ver onderstelling, dat als zij werkte op een nabijzijnde sloot, zij ook dienst kon doen, wanneer zij werd aangesloten op de centrale rioleering. In het verleden, toen men zoowel de faecaliën als het hemelwater afvoerde naar een nabij zijnd open water of open riool (wat tegenwoordig verboden is), werden aan een rioleering niet zulke hooge eischen gesteld als thans, nu zij op een centrale rioleering wordt aangesloten. Het water, dat tot op een verafgelegen punt moet worden weggevoerd, komt bij hevigen regenval, dus bij overvloedigen toevoer, hooger in de rioleering te staan dan wanneer het in een zeer nabijzijnde sloot wordt geloosd. De rioolputten van het Academisch Ziekenhuis zijn daarom niet hoog genoeg opgetrokken. Het gemeentebestuur is daarvoor niet verant woordelijk, al zou men blijkbaar ook gaarne willen, dat de gemeente de kosten van verbetering betaalde. In dit verband herinnert spreker aan het verzoek, dat bewoners van het Kooikwartier aan den Raad hebben gedaan om de gemeente aansprakelijk te stellen voor het feit, dat de rioolputten daar niet voldoende hoog zijn opgemetseld. Het ligt evenwel niet op den weg van de gemeente deze zaak in orde te brengen; het is de taak van hen, die de rechtmatige en gelukkige be zitters van de daarbij betrokken panden zijn. Volgnr. 382 wordt zonder hoofdelijke stemming aange nomen. De volgnrs. 383 tot en met 395, 395a, 396 tot en met 423 worden achtereenvolgens zonder beraadslaging of hoofdelijke stemming aangenomen. Algemeene beschouwingen over Hoofdstuk VIII. (Onder wijs, Kunsten en Wetenschappen). De heer van Bemmelen betoogt, dat ongetwijfeld ook aan het onderwijzend personeel hulde dient te worden gebracht voor de groote toewijding, waarmede het in dezen buiten gewoon moeilijken tijd zijn taak verricht. De verhouding tusschen het College en den Raad is op het punt van het onderwijs in het algemeen van den aan- genaamsten aard, maar zou nog beter worden, wanneer de Gemeente-begrooting. (van Bemmelen e.a.) voordrachten en aanbevelingen voor de verschillende be noemingen een oogenblik in de commissiën van bijstand werden besproken. Spreker kan zich in het geheel niet ver eenigen met het formeele schriftelijke antwoord, dat het College op de daaromtrent gestelde vraag heeft gegeven. De Voorzitter merkt op, dat zijn mondelinge antwoord minder formeel was, maar de heer van Bemmelen afwezig was, toen spreker dit gaf. De heer van Bemmelen is ook in het geheel niet bevredigd door het schrifteüjke antwoord op de vraag, of het niet mogelijk is de onderwijzers bij het lager en uitgebreid lager onderwijs te verplichten in plaats van een halfuur een kwartier voor den aanvang van den schooltijd aanwezig te zijn. Het College antwoordt n.l., dat door het onderwijzend personeel nimmer de wensch tot inkorting van dit halfuur kenbaar is gemaakt. Spreker vraagt zich af, of het niet de taak van de leden van den Raad is aan het College over te brengen, wat onder de bevolking leeft. Het is dikwijls lastig voor individueele onderwijzers en zelfs voor groepen van onderwijzers pro domo dergelijke dingen te zeggen. De Voorzitter: Dat durven zij best! De heer van Bemmelen gelooft dit wel, maar weet ook, dat het dikwijls aangenamer is, wanneer dergelijke zaken worden overgebracht door een buitenstaander. Spreker acht den wensch niet overdreven. Het lijkt spreker in het geheel niet noodig voor de meeste van de leerkrachten, die met groote toewijding werken, dat zij een halfuur vóór den aan vang van den schooltijd in het gebouw aanwezig zijn; zij zullen het uit zich zelf zijn, wanneer zij het noodig vinden. Een kwartier acht spreker volkomen voldoende. Na het schrifteüjke antwoord van het College op de op merking over het geven van een subsidie aan het Leidsche Volkshuis kan spreker zich allerminst vereenigen. Deze zaak is voor een groot gedeelte van de bevolking van groot belang. Het Volkshuis is niet alleen een sympathieke instelling, het is voor de gemeente absoluut noodzakeüjk; indien het niet bestond, zou het op dit oogenblik moeten worden opgericht. Het is dan ook van het grootste belang, dat de gemeente wel subsidie geeft. De Voorzitter heeft den indruk, dat het naar de meening van den heer van Bemmelen voor het onderwijzend personeel zeer moeilijk was in dezen een wensch te uiten. Het College heeft echter herhaaldeüjk adressen van individueele onder wijzers of bonden van onderwijzers ontvangen omtrent ver lenging van de vacanties, wat er nog meer inhakt dan het halfuurtje. De heer van Bemmelen behoeft dan ook niet te vreezen, dat het onderwijzend personeel het alleen durft via de raadsleden. Het College heeft zijn voelhorens uitgestoken bij eenige hoofden van scholen; zij bleken op het behoud van dit halfuur zeer veel prijs te stellen. Spreker is het met den heer van Bemmelen eens, dat de genen, die het zelf noodig vinden, wel zonder dwang een halfuur vroeger zullen komen; de bepaling is echter dikwijls noodig voor hen, die het niet noodig vinden, omdat vóór het begin van den schooltijd altijd wel iets valt voor te bereiden of af te spreken tusschen de onderwijzers onderling; er zijn altijd zaken te regelen, die in een kwartier niet zoo gemakkeüjk geregeld kunnen worden. Bovendien krimpt in de practijk dat halve uur ook wel eens eenigszins in; wanneer men er een kwartier van maakt, en dit krimpt in, dan blijft er in het geheel niets van over. Wanneer er nu klemmende bezwaren van de onderwijzers tegen dit halve uur gekomen waren, dan zou het College deze zaak wel eens onder oogen gezien hebben, maar een vriendelijke wenk van den heer van Bemme len namens de Leidsche burgerij was voor het College nog niet genoeg aanleiding om over te gaan tot inkrimping van dit halve uur, dat toch al kort genoeg is. De heer Verweij kan, inzake het verleenen van een subsidie aan het Leidsche Volkshuis, gevoegüjk verwijzen naar hetgeen bij de vorige begrooting is gezegd in antwoord op een op merking van den heer Riedel. Bij het College zit geenszins de bedoeling voor om het Volkshuis in zijn werkzaamheden te belemmeren door geen subsidie te verleenen, maar het College is op grond van een tweetal redenen tot dit standpunt gekomen. In de eerste plaats is het in verband met het geheele begrootingsbeeld van de gemeente toch uitermate moeiüjk om over te gaan tot uitbreiding van het aantal instellingen, die van de gemeente reeds een subsidie krijgen; het verstrekken van subsidie wordt dus beperkt, niet omdat

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1941 | | pagina 8