MAANDAG 19 APRIL 1926. 45 indruk gekregen, dat wat de heer Wilbrink aanvoert juist is, nl. dat zoovele personen als transportarbeider te boek staan, die het niet zijn, die eigenlijk in die organisatie niet thuis behooren. Spreker zou geneigd zijn om het praeadvies te bestrijden voor zooveel betreft de uitbreiding van het aantal dagen waar over de crisisuitkeering aan uitgetrokken losse transport arbeiders verleend wordt, maar hij is huiverig om dat te doen, omdat menschen in deze organisatie zijn ondergebracht, die daar niet hooren. Dit heeft de heer van Stralen trouwens ook niet kunnen ontzenuwen. Spreker zal dus moeten stemmen voor het praeadvies van Burgemeester en Wethouders. De heer Sanders ontkent, dat Burgemeester en Wethouders de quaestie van de werkloosheid optimistisch hebben voor gesteld. Zij hebben overgenomen het rapport van de Commissie van Advies, dat grootendeels een antwoord is op een verzoek schrift van den Leidschen Bestuurdersbond, waarin gezegd wordt, dat de toestand in het transportbedrijf is verslechterd. De Commissie heelt met cijfers de onjuistheid van die be wering willen aantoonen. Indien de beer van Stralen ontkent, dat de algemeene werkloosheid is verminderd en dat die ver mindering in het transportbedrijf op evenredige wijze heeft plaats gehad, dan spreekt hij tegen zijn gemoed in. Dat de ingetreden verbetering niet gering is, blijkt ook uit de cijters, die zijn overgelegd, betreffende de vermindering van het aantal ingeschrevenen bij de Arbeidsbeurs. De hoer van Stralen zegt wel, dat die cijlers geen juist beeld van den toestand geven, omdat niet alle werkloozen bij de Arbeids beurs zijn ingeschreven, maar datzelfde geldt dan voor de cijfers van vorige jaren; het zijn dus slechts verhoudings- cijfers. Na het verschijnen van het rapport zijn die cijfers nog aan merkelijk verbeterd. In Januari bedroeg het aantal inge schrevenen bij de Arbeidsbeurs nog 963, in Februari was het gedaald tot 814. in Maart tot 636 en op 15 April was het 490. Dit laatste getal mag men nog verminderen met 44, omdat de Arbeidsbeurs zich den laatsten tijd meer is bezig gaan houden met de arbeidsbemiddeling voor vrouwen en het aantal ingeschreven vrouwen daardoor is gestegen tot 44. Neemt men nu in aanmerking, dat het aantal ingeschreven mannen in Februari 1924 was 966, in Februari 1923 1006 en in Februari 1922 1514, dan wijzen die cijfers op een afname der algemeene werkloosheid. De cijfers, door den heer van Stralen genoemd, kan spreker niet onmiddellijk contröleeren en hij kan ook niet beoordeelen of de conclusie, welke daaruit werd getrokken, juist was. Enkele dier cijfers kende spreker reeds vóór deze Raads vergadering. üm aan te toonen, dat het aantal werklooze dagen van de transportarbeidersin de laatste jaren is toegenomen in plaats van afgenomen, heelt de heer van Stralen cijfers genoemd over de jaren 1923,1924 en 1925, welke inderdaad niet duiden op een vermindering van de werkloosheid, maar de vraag is, of uit die cijfers wel dergelijke conclusie getrokken kan worden, want de in die jaren bij de organisaties ingeschreven transportarbeiders zijn niet dezelfde. Van de in 1925 inge schreven 252 transportarbeiders zijn er slechts 70, die nu nog lid zijn van de orgauisatie, zoodat zich niet minder dan 182 hebben laten afschrijven. Onder dezen is er een groot aantal, die in al die jaren eigenlijk niet getrokken hebben, die dus, omdat zij geen belang meer hadden bij de organisatie, deze hebben verlaten. Daarentegen is dit aantal weder aangevuld met transportarbeiders, die een grooter werk loosheidsrisico hadden. Verder heeft de heer van Stralen met allerlei cijfers trachten aan te toonen, dat het rapport van den Directeur van den Dienst van Sociale Zaken niet juist was, maar slechts zeer kort heeft hij aangeraakt de eigenlijke quaestie, de vraag, of het noodig is om het aantal uitkeeringsdagen uit te breiden. De heer van Stralen en ook de heer Knuttel meenen, dat er in het geheel geen beperking van die dagen moest plaats hebben en hun is ook nog niet duidelijk, waarom die beperking plaats heeft. In het voorbijgaan maakt spreker opmerkzaam op een fout in het adres van de Afdeeling Leiden van den Centralen Bond van Transportarbeiders. In dat adres, gedateerd 20 Maart, staat dat niet minder dan 18 transportarbeiders zoowel van de werkloozenkas als van den steun zijn uitgetrokken, maar dat getal moet zijn 13. Nu heeft spreker eens nagegaan wat voor menschen die 13 eigenlijk waren en daarbij is hem gebleken, wat ook de heer Wilbrink terecht opmerkte, dat zeer vele leden van den Transportarbeidersbond geen transport arbeiders in den waren zin des woords zijn. Onder die 13 was er b.v. een, die reeds gedurende tien jaar alle vormen van steuncommissies doorloopen heeft; één die voor 50% invalide is; een spoorlooper; één, die meer als orgeldraaier bekend staat; één, die min of meer achterlijk is en één, die eigenlijk nooit van zijn leven iets heeft uitgevoerd. Dat zijn er dus 6 of 7, die behooren tot de eerst uitgetrokkenen bij kas en steun. Nu klinkt het niet erg royaal, als men hoort zeggen of voorlezen, dat die uitgetrokkenen slechts 15 dagen in het eeiste half jaar en 21 dagen in het tweede half jaar steun kunnen trekken, maar deze menschen zijn tenslotte toch voor 78 dagen of drie maanden gesecureerd, omdat zij uit de kas trekken gedurende 21 dagen, zoowel in het eerste als in het tweede halfjaar. Die 13 weken moet men verdeelen over het geheele jaar en dat is voor deze menschen van groot belang, omdat een transportarbeider nooit langen tijd achtereen werk loos is. Uit de inschrijvingslijst van den Centralen Transport arbeidersbond van de week van 3 April blijkt, dat er in die week waren ingeschreven 19 werkloozen met een totaal aantal werklooze dagen van 52. Men kan dus aannemen, dat een transportarbeider, als hij werkloos is, dat gemiddeld 2 of 3 dagen per week is. Waarom moet nu deze maatregel genomen worden voor deze menschen? Het gaat hier niet om transportarbeiders in vasten dienst, als melkbezorgers, chauffeurs, enz., maaralleen om transportarbeiders, die zelfstandig een werk van eenige dagen kunnen aannemen, een 66-tal. Deze menschen werken 2, 3 dagen en verdienen dan of zooveel dat zij over de volgende dagen der week geen steun behoeven, of zoo weinig dat zij voor steun in aanmerking komen. Nu is zich bijvoorbeeld op dit oogenblik het volgende geval aan het voltrekken. Op 16 April hebben 7 man aangenomen om een schuit kluitkalk te lossen tegen ƒ330.daarmede zijn 5 dagen gemoeid, per man verdienen zij dus47..Zoo iemand heeft in de vorige week verdiend i/s van ƒ47.of ruim ƒ9.(1 dag), een dergelijke man komt, als hij huis vader met 4 kinderen is, in aanmerking voor een steunuit- keering van ƒ11.Die man krijgt dus ƒ20.over deafge- loopen week en verder verdient hij ƒ38.over de volgende week, totaal ƒ58.en dat met 5 dagen werken in 2 weken. Voor dergelijke personen is toch de steunregeling niet bedoeld Het genoemde geval staat niet op zich zelf. Spreker heeft het eens nauwkeurig laten nagaan door deri controleur van den Dienst van Sociale Zaken en uit diens onderzoek blijkt, dat al deze menschen, als zij aan het werk zijri, een hoog weekloon verdienen, wel tot 35.toe. Niet ten onrechte wordt dan ook in het rapport van den Directeur van den Dienst van Sociale Zaken de vraag gesteld, of voor deze menschen eigenlijk w el een steunregeling moest worden ingesteld. Zoover wil spreker niet gaan, maar hij meent toch te hebben aangetoond, dat deze menschen volkomen billijk wor den behandeld en niet aan den honger zullen ten prooi zijn. Er wordt gezegd, dat er reeds zooveel menschen zijn uit getrokken, maar spreker kan mededeelen, dat van degenen, die zoowel uit de kas als uit den steun zijn uitgetrokken, zich nog niemand bij het Burgerlijk Armbestuur heeft aan gemeld. De heer van Stralen zegt, dat de meening van den heer Wilbrink, als zouden voor deze groep van arbeiders geen speciale maatregelen noodig zijn, slechts een persoonlijke meening is. De heer Wilbrink heeft die opvatting langs de straat opgedaan. Als men op die wijze een oordeel uitspreekt over den algemeenen toestand in een bedrijf, kan men zich allicht vergissen. Het is beter zich aan de cijfers, welke be trouwbaar zijn, te houden. De cijfers, welke spreker heeft gegeven, zullen, als de Wethouder ze controleert, juist blijken te zijn. Waar volgens den heer Wilbrink vele transportarbeiders dat slechts in naam zijn en er zijns inziens een schifting moet plaats hebben, geeft spreker toe, dat den laatsten tijd het aantal transportarbeiders en losse arbeiders is toegenomen, maar zijns inziens mag dit niet zoo worden begrepen, als zouden het allen orgeldraaiers, spoorloopers, paupers zijn, die zich hebben laten inschrijven om steun te krijgen. De oorzaak van dit verschijnsel is, dat in de jaren, vlak na den oorlog, toen vooral in het fabrieks- en bouwbedrijf de werk loosheid ontzettend groot was, vele arbeiders uit die bedrijven zich op den transportarbeid en den lossen arbeid zijn gaan werpen. Ten deele zijn die menschen in hun vroeger bedrijf teruggekeerd, maar anderen niet en dezen hebben het aantal transportarbeiders vermeerderd. Die menschen hebben wel niet hun geheele leven dat werk verricht, maar men mag hen toch niet betitelen met den naam van niet valide arbeiders. Deze organisatie neemt maai- niet alles als lid aan, dat zich aanmeldt; er heeft voortdurend eeri schifting plaats en ge weerd worden menschen, die zich wel los transportarbeider noemen doch het niet zijn. Het gaat dus niet aan om, zooals de Wethouder deed, op laatdunkende wijze te spreken van orgeldraaiers, spoorloopers, en dergelijken, die lid geworden zijn van de organisatie.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1926 | | pagina 9