MAANDAG 19 APRIL 1926.
43
de Raad zijn voorstel zal aannemen, vooral omdat het hier
slechts gaat over een bedrag van 8 X 70.560.en
deze menschen in de bijzondere positie verkeeren niet,
zooals de heer Heemskerk zegt, in een gunstigen toestand
dat zij zijn overgeleverd aan instellingen, welke hen afschepen
met bedragen, waarvan zij het allernoodzakelijkste niet kun
nen koopen, terwijl zij aanvankelijk de hoop hadden in
gemeentedienst te blijven.
De heer van Eck zegt, dat de Wethouder zich vergist.
Blijkens de notulen van de vergadering van Commissarissen
der Lichtfabrieken van 4 Juli 1924 heeft die commissie be
sloten de gestorte pensioenpremiën terug te betalen. In haar
vergadering van 12 September 1924 heeft zij uit vrees voor
de consequenties besloten dat besluit in dien zin te wijzigen,
dat aan Burgemeester en Wethouders werd voorgesteld een
deel dier pensioenpremiën terug te geven, voorzoover er
namelijk geen risico was geloopen. Spreker is niet bang voor
die consequenties, want, als men iets doet op grond van
billijkheidsoverwegingen, dan heeft men altijd het recht geval
tot geval te beoordeelen en na te gaan of de billijkheid moet
worden toegepast. In dit geval spreekt de billijkheid zeer
sterk, omdat de commissie eenmaal genoemd besluit had
genomen en het altijd hard is als daarop wordt teruggekomen.
De heer Heemskerk ontkent den toestand, waarin deze
menschen verkeeren, gunstig te hebben genoemd. Integendeel,
hij vindt het een ramp voor die menschen, maar de vraag
of de gemeente tegenover hen onbillijk had gehandeld, heeft
hij ontkennend moeten beantwoorden. Vooreerst heeft de
gemeente onverplicht een wachtgeldregeling in het leven ge
roepen, maar bovendien ontvangen die menschen thans steun,
welke toch uit de gemeentekas wordt betaald.
Het komt aan op de vraag, of de gemeente als zoodanig
moreel juist gehandeld heeft tegenover deze menschen, en
deze vraag durft spreker bevestigend te beantwoorden.
Ook blijkt uit het antwoord van den Wethouder, dat na
het ontslag van deze personen geen andere personen in dienst
genomen zijn; dat zou anders een anderen kant aan de zaak
gegeven hebben.
De gemeente heeft dus deze menschen geheel billijk behandeld
zij heeft voldaan aan de verplichtingen, welke zij jegens hen
had en aan de gemeente is dus in dit opzicht geen enkel
verwijt te maken.
De heer Zuidema zegt, dat indertijd de onvoorzichtigheid
is begaan aan deze menschen mede te deelen, dat de Com
missie voorde Lichtfabrieken beslist had dat zij hun geld
zouden terugkrijgen, doch dat zij het toch niet hebben kunnen
krijgen. Spreker vreest, dat die menschen weder dezelfde
ervaring zullen opdoen, wanneer het voorstel-Baart wordt
aangenomen, want dit voorstel is niet in orde; het zal door
Gedeputeerde Staten niet goedgekeurd kunnen worden en
zal dus geen effect kunnen hebben.
Spreker acht het buitengewoon onbillijk jegens deze per
sonen om hen hier vandaan te laten gaan onder den indruk,
dat ze iets zullen krijgen, terwijl dat niet het geval zal zijn.
Daarom zal spreker niet kunnen stemmen voor het voor-
stel-Baart, te meer omdat hij overtuigd is, dat de gemeente
hier zeer menschelijk gehandeld heelt.
De Voorzitter zegt, dat de wet van 1922 z. i. de fout
begaan heeft van de losse werklieden op te nemen in het
Pensioenfonds. De gemeente moest daarvoor betalen een premie
van 15.5%, welke zij niet terugkrijgt. Er was mogelijk een
verhaal van 8.5 op de betrokken losse werklieden, maar er
is slechts toegepast een verhaal van 3.5 en dat is slechts
gedurende korten tijd geschied, misschien gedurende de helft
van den tijd.
Voor het weinige, dat deze losse werklieden gestort hebben,
waren zij absoluut verzekerd voor het geval hun een ongeval
mocht overkomen en ook wat betreft het pensioen voor
weduwen en weezen. Thans is die verzekering vervallen,
maar zij herleeft, als die menschen te eeniger tijd in Rijks
dienst of weer in gemeentedienst komen.
Spreker wijst verder op de wachtgeldregeling, welke op
voorstel van den heer van Stralen voor die menschen is gemaakt.
In geen enkele andere gemeente is voor de losse arbeiders
zooveel gedaan als te Leiden.
De heer Baart, wiens voorstel te vaag is, omdat er in ge
sproken wordt van »en anderen", zegt wel, dat het hier
slechts gaat om een uitgave van 560.—, maar de ge-
meentefinanciën staan er ongunstig voor.
Indien iemand eenigen tijd verzekerd is geweest en daarvan
niet heeft geprofiteerd, is het onbillijk de betaalde premiën
terug te vragen. Zelfs voor ambtenaren in vasten dienst zijn,
als zij vóór zekeren diensttijd in een andere betrekking
overgaan, de gestorte pensioenpremiën vaak verloren.
De quaestie is, dat men zich bij dit verzoek baseert op het
feit, dat in de oude verordening de bepaling voorkwam, dat
zij, aan wie eervol ontslag werd verleend, niet op verzoek,
de gestorte pensioenpremiën terugkregen. Die bepaling is
echter teruggenomen in verband met de wet van 1913; men
heeft zich te richten naar de bestaande wet en de algemeen
geldende regelen, zelfs al is de terugbetaling niet expressis
verbis verboden.
Zooals de heer Sanders reeds heeft medegedeeld, zijn hier
ter slede indertijd een paar ambtenaren oneervol ontslagen.
Die personen hebben ook telkens gevraagd de gestorte pensi
oenpremiën te mogen terugontvangen, maar het eigenaardige
is, dat de gemeente thans voor één van hen, die in Rijks
dienst is aangesteld, aan het pensioenfonds een zekere som
heeft moeten betalen.
Spreker gevoelt dan ook voor het teruggeven der gestorte
pensioenpremiën niets. Het zou zuiver op een gratificatie
neerkomen en daarvoor bestaat in casu niet de minste reden.
Het voorstel van den heer Baart wordt met 21 tegen lü
stemmen verworpen.
Tegen stemmen: de heer Eerdmans, mevrouw van Itallie
van Embden, de heeren Mulder, Meijueu, Reimeringer, San
ders, van Hamel, Wilmer, Bergers, Splinter, van Rosmalen,
van der Reijden, Huurman, van Tol, Sijtsma, Deumer, Zuidema,
Coster, Heemskerk, Spendel en Wilbrink.
Vóór stemmen: de heeren Witmans, Yerweij, Schüller,
Groeneveld, Kooistra, Knuttel, van Eck, Dubbeldeman, van
Stralen en Baart.
Zonder hoofdelijke stemming wordt vervolgens overeenkom-
s!ig het praeadvies van Burgemeester en Wethouders besloten.
XIX. Praeadvies op het verzoek van de afd. Leiden van
den Centralen Bond van Transportarbeiders, om vermeerde
ring van het aantal dagen, gedurende welke aan losse trans
portarbeiders, die van hun werkloozenkas zijn uitgetrokken,
van gemeentewege crisisuitkeering wordt verstrekt.
(Zie Ing. St. No. 85.)
De heer Van Stralen heeft in het praeadvies weder den
zelfden optimistischen toon waargenomen omtrent het werk-
loozencijfer als in den regel door het College wordt aangeslagen,
wanneer er maatregelen gevraagd worden in zake de werkloo-
zenzorg.
De toestand moge nu niet meer zoo ernstig zijn als enkele
jaren geleden, hij is toch nog zeer zorgvol en maatregelen
van overheidswege in het belang van de slachtoffers van de
werkloosheid zijn zeker altijd nog op hun plaats.
Op 8 April waren bij de Arbeidsbeurs ingeschreven 555
werkloozen, tegen 646 een jaar te voren, dus bijna 100 minder,
maar dit wil nog niet zeggen, dat de werkloosheid zooveel
minder is, want de opgaven van de Arbeidsbeurs geven den
werkelijken toestand niet weer. Die opgaven hebben slechts
betrekking op het aantal personen, die zich bij die instelling
aanmelden, en daaronder zijn niet begrepen de groote aan
tallen werkloozen, die op geenerlei wijze ondersteuning krijgen
en zich daarom niet melden.
Spreker heeft cijfers te zijner beschikking, waaruit blijkt
dat de toestand, hij moge al iets verbeterd zijn, toch nog
ernstig is.
Uit een overzicht, dat spreker heeft, blijkt, dat 3400 leden
van den Leidschen Bestuurdersbond in 1924 tezamen hadden
121544 werklooze dagen en in 1925 108963, dus een gering
verschil slechts. Neemt men daarbij in aanmerking, dat de
2700 leden van dien Bond, die aangesloten zijn bij de werk
loozenkas, in 1925 per lid gemiddeld 44 dagen werkloos zijn
geweest en er in dat jaar van die 2700 leden gemiddeld 600
werkloos waren, dan ziet men, dat het met de werkloosheid
niet zoo gunstig is gesteld als Burgemeester en Wethouders
het willen doen voorkomen.
Wat de transportarbeiders betreft, in dat bedrijf is de werk
loosheid zeker niet minder dan in alle bedrijven dooreen-
genomen. De Centrale Bond van Transportarbeiders telde in
de laatste week van Januari 1925 2506 geheel en 1475 ge
deeltelijk werkloozen, tezamen 3981, terwijl in de laatste week
van Januari 1926 die getallen bedroegen resp. 3123 en 1705,
tezamen 4828. Dit wijst er op, dat in dit bedrijf van een
belangrijke verbetering van den toestand, waarvan Burgemeester
en Wethouders spreken, geen sprake is. Dit betreft den toe
stand over het geheele land.
Ook wat den plaatselijken toestand betreft, beschikt spreker
over cijfers. Bij de afdeeling Leiden van den Centralen Bond
van Transportarbeiders bedroeg het aantal werklooze dagen
in 1923 bij een ledental van 215:12441, in 1924 bij een ledental
van 242: 17185 en in 1925 bij een ledental van 252: 17026.
Deze cijfers wujzen niet op een erg rooskleurigen toestand.
De allerlaatste cijfers zijn, dat in Januari en Februari van
4