42 MAANDAG 19 APRIL 1926. vaardt, kan men eigenlijk niets anders doen dan den veiligen weg volgen, van zich te onthouden iets te doen; maar spreker meent, dat men aan deze menschen, die toch in zekeren zin moreele aanspraken hebben, omdat de Commissie voor de Lichtfabrieken dat besluit heeft genomen, zonder bezwaar dit geld kan toekennen, op billijkheidsgronden, niet omdat zij er recht op hebben. Erkent men hun recht er op, dan kan men verzoeken van anderen, die eventueel in dezelfde omstandig heden verkeeren, niet afwijzen, maar doet men het op billijk heidsgronden, dan kan men zeggen, dat voor deze menschen die billijkheidsgronden het sterkst gelden. Spreker heeft er in het algemeen principieel bezwaar tegen, dat men, zaken behandelend op publiekrechtelijk gebied, altijd hard moet zijn en moet vragen wat streng recht is, terwijl men in zijn particuliere leven in zulke gevallen goedertierend en welwillend zou wezen. Men dient zich af te vragen of men, zich bevindend in de positie, waarin de betrokken personen verkeeren, er niet anders over zou denken. De heer Heemskerk vraagt in de eerste plaats aan den Wethouder of al dan niet juist is wat hem is mede gedeeld, n.l. dat, toen deze menschen waren ontslagen, door de Lichtfabrieken in hun plaats nieuwe arbeiders zijn aange nomen, zoodat feitelijk die ontslagverlening niet noodig was geweest. Wat de zaak zelve betreft, meent spreker, dat Burgemeester en Wethouders zeer consequent handelen, omdat de wet de terugbetaling van gestorte pensioenpremiën niet toelaat. Maar ook al zou de wet in deze geen beletsel zijn, het zou voor een gemeentebestuur zeer onvoorzichtig wezen een dergelijken maatregel toe te passen, omdat dan ook andere werklieden, in dezelfde positie verkeerende als adressanten, hetzelfde zouden vragen. Onjuist is ook de stelling, dat het gemeentebestuur zich door moreele, niet door formeele overwegingen moet laten leiden. Maar bovendien, waar deze menschen wachtgeld hebben genoten en na beëindiging daarvan döor de crisis-commissie zijn gesteund, heeft de gemeente haar moreele verplichtingen vervuld. Prettig is het voor de menschen niet geweest, maar als losse arbeiders kunnen zij geen recht doen gelden om ten eeuwigen dage in gemeentedienst gehouden te worden. Men moet ook niet vergeten, dat deze menschen gedurende den tijd, dat de pensioenpremie betaald is, in eik geval gedekt waren voor het risico dat zij liepen, en het gaat niet aan om nu de gestorte premie terug te willen hebben. Wanneer een particulier een verzekering beëindigt, dan krijgt die toch ook niet de door hem gestorte premiën terug! De consequenties van het voorstel van den heer Baart zijn zoo groot, dat de Raad zich wel ernstig bedenken mag, alvorens daarop in te gaan. De heer Zuidema verklaart niet goed de strekking van het voorstel-Baart te begrijpen. Erkend wordt, dat de wet niet toelaat teruggave van de gestorte pensioenpremie, maar het geven van een dergelijke gratificatie is toch in wezen niets anders en dit zou dus evenmin toelaatbaar zijn. Er kan zijns inziens dan ook geen quaestie van zijn, dat een dergelijk besluit goedgekeurd zou worden. Bovendien is het de vraag, of hier gronden aanwezig zijn om in deze richting te gaan. De heer van Eek heeft zelf gewaarschuwd, dat men er zekere consequenties uit zou kunnen trekken en dat zou hij niet willen, maar waar is de grens? Een grens zal niet aan te wijzen zijn. Wanneer men thans a zegt, zal men straks b moeten zeggenen wan neer men dan op een willekeurig punt niet verder gaat, zal men juist onbillijk worden. De tot nu toe gevolgde gedragslijn is geheel overeenkomstig de verordening en er schuilt geenerlei onbillijkheid in, waarom spreker zal stemmen voor het praeadvies van Burgemeester en Wethouders. De heer Sanders constateert, dat geen van de sprekers onderschreven heeft de uitlating van adressanten, dat zij ten volle recht hebben op teruggaaf van de door hen gestorte premie en dat die premie onrechtmatig is ingehouden. In tegendeel, van alle zijden is erkend, dat Burgemeester en Wethouders wettelijk op het juiste standpunt staan. Sommige sprekers hebben nu gemeend de zaak in andere richting te moeten leiden en hebben het doen voorkomen alsof het ontslag buitengewoon hard was, alsof van de wacht geldregeling niet geprofiteerd was, omdat men de menschen toch in dienst gehouden heeft, en alsof zekere onbillijkheid in dat ontslag gelegen zou zijn, omdat daarna nieuwe arbeiders bij de Lichtfabrieken zouden zijn aangenomen. Geen van al die argumenten is juist. Naar aanleiding van de vraag, door den heer Heemskerk gesteld, kan spreker den Raad beslist de verzekering géven, dat, nadat die menschen zijn ontslagen, voor die werkzaam heden aan de Lichtfabrieken geen nieuwe werkkrachten zijn aangenomen. Dat Zweistra, nadat hij wachtgeld had gekregen, in dienst zou zijn gehouden en derhalve van het wachtgeld als zoodanig, dat wil zeggen zonder er iets voor te doen, niet zou hebben geprofiteerd, is onjuist. Wel is hij een enkele maal voor het verrichten van andere werkzaamheden opgeroepen, maar dat is een van de voorwaarden der wachtgeldregeling en ook niet meer dan billijk. Spreker geeft toe, dat het ontslag voor die menschen hard was, maar om dien harden kant weg te nemen is die wacht geldregeling in het leven geroepen en niet ten onrechte is dan ook in het praeadvies van Burgemeester en Wethouders cursief gedrukt, dat die regeling voor deze menschen een buitengewone tegemoetkoming is geweest. Yan een onbillijkheid jegens die menschen is, zooals spreker meent te hebben aangetoond, niet de minste sprake, maar dit alles houdt geenszins verband met het verzoek van adres santen om ingehouden pensioenpremiën terug te krijgen. Meenden die menschen onbillijk of niet zacht genoeg te zijn behandeld of ten onrechte voor het verrichten van werk te zijn opgeroepen, dan hadden zij op andere wijze moeten pro testeeren, b.v. toen de wachtgeldregeling door den Raad werd gemaakt, maar dan kan dat niet worden vergoed door het terugbetalen van gestorte pensioenpremiën. Het niet teruggeven van die premiën is geenszins onbillijk. Die menschen hebben wel niet geprofiteerd van het recht op pensioen, maar iemand, die zich verzekert tegen brandschade, zal, als hij tien jaar de premie heeft betaald en in dien tijd nooit brand heeft gehad, er toch niet aan denken de betaalde premie te gaan terugvragen. Het risico voor deze menschen is geloopen, niet alleen voor invaliditeit en voor het achter laten van weduwen en weezen, maar het pensioenfonds loopt nog risico voor het ouderdomspensioen, want, als deze men schen ooit in Rijksdienst of weer in gemeentedienst komen, herleven hun rechten op pensioen. Dat dit niet denkbeeldig is, bewijst het geval, dat zich hier ter stede heeft voorgedaan. Toen hier indertijd gemeente-ambtenaren zijn ontslagen, is in den Raad er ook propaganda voor gemaakt om dien men schen hun gestorte pensioenpremiën terug te geven, maar thans is een van die menschen in Rijksdienst en nu herleven zijn pensioenrechten. Wanneer die storting teruggegeven was en voor die menschen zouden de pensioenrechten herleefd zijn, zouden zij dan zoo welwillend geweest zijn om het teruggegevene weder aan de gemeente te restitueeren Spreker gelooft van niet. Er is gesproken over hetgeen ter zake is voorgevallen in de Commissie voor de Lichtfabrieken in '1924 en de heer van Eek heelt gezegd, dat de commissie ten slotte teruggedeinsd is voor de consequentiën, maar de bespreking daar is niet zoo positief geweest. In de commissie is voorloopig beslist, dat, voor zoover het risico niet door het Pensioenfonds gedragen zou zijn, er eenige grond voor billijkheid was om de pensioenstorting terug te betalen. Daarmede werd dan bedoeld het ouderdomspensioen. Aangezien echter sedert gebleken is, dat het Pensioenfonds nog altijd dat risico loopt, is ook dit van geen waarde meer. Spreker meent aangetoond te hebben, dat adressanten noch wettelijk noch op billijkheidsgronden recht hebben op terug gave van deze pensioenstortingen. De heer Baart moet volhouden tegenover den Wethouder, die zegt dat na het ontslag van deze personen geen andere personen bij de Lichtfabrieken te werk gesteld zijn, dat hem precies het tegenovergestelde is medegedeeld. Spreker meent, dat het mogelijk geweest zou zijn om deze menschen, die jaren lang bij de Lichtfabrieken in dienst geweest zijn, te werk te stellen, zij het in een andere afdeeling. Inderdaad geeft spreker toe, dat de wet niet toestaat, dat deze menschen de gestorte pensioenpremie terugkrijgen; anders was hij natuurlijk niet met zijn voorstel gekomenmaar gezien de bijzondere verhouding, waarin deze personen gewerkt en geleefd hebben, bestaat er voor spreker aanleiding om een poging te doen dat de menschen het geld in anderen vorm terugkrijgen. De Wethouder zegt, dat in de commissie niet positief vastgesteld is geworden, dat de menschen het geld zouden terugkrijgenmaar het is spreker bekend, dat de betrokken personen officieus door een commissielid er mede in kennis waren gesteld, dat het geld zou teruggegeven worden. De menschen zijn zelfs op het kantoor geweest om het geld te vragen. Zij koesterden dus de hoop het geld te zullen ontvangen. De vergelijking, die de Wethouder maakt met iemand, die zich tegen brandschade verzekert, gaat niet op, omdat iemand, die pensioenpremie betaalt, eens van dat pensioen hoopt te genieten, terwijl men zich niet tegen brandschade verzekert in de hoop eens brand te zullen krijgen. Op grond van de aangevoerde motieven hoopt spreker, dat

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1926 | | pagina 6