MAANDAG 19 APRIL 1926.
41
hoorende werken, aan de N.V. Hollandsche Constructiewerk
plaatsen te Leiden.
(Zie ing. St. No. 78).
De heer Schüller verzoekt Burgemeester en Wethouders,
dat zij beter toezicht houden bij het stellen van den boven
bouw der brug, zoodat de arbeiders met beter materieel werken
dan bij de Singelbrug het geval is geweest, waar b.v. het
hijschtoestel voor het opzetten van den bovenbouw veel te
kort bleek te zijn. Alleen door het voorzichtig optreden der
arbeiders zijn toen ongelukken voorkomen.
De heer Mulder meent, dat, wanneer er bij de verbouwing
van de Singelbrug iets niet in den haak is geweest, dit zal
gelegen hebben aan de directie en dat deze daar dan wel
veel geleerd zal hebben, zoodat er thans wel beter toezicht
op het werk zal zijn.
Zonder hoofdelijke stemming wordt overeenkomstig het
voorstel van Burgemeester en Wethouders besloten.
XIV. Voorstel tot het instellen van een rechtsvordering
tegen C. Hei, tot vergoeding van schade, veroorzaakt door
aanvaring van de Spanjaardsbrug.
(Zie Ing. St. No. 74.)
Wordt zonder beraadslaging of hoofdelijke stemming over
eenkomstig het voorstel van Burgemeester en Wethouders
besloten.
XV. Voorstel tot ruiling met Th. J. Genet van een aan de
gemeente toebehoorend gedeelte grond, kad. bekend onder
Sectie K No. 704 ged., tegen een gedeelte grond, kad. bekend
onder Sectie K, Nis 3605 en 3237 beide ged.
(Zie Ing. St. No. 79.)
Wordt zonder beraadslaging of hoofdelijke stemming over
eenkomstig het voorstel van Burgemeester en Wethouders
besloten.
XVI. Voorstel tot ruiling met, M. Splinter Gzn. van een aan
de gemeente toebehoorend gedeelte grond aan de Narcissen-
straat, tegen een gedeelte grond, kad. bekend onder Sectie M
No. 3355 ged.
(Zie Ing. St. No. 84.)
De heer Schüller vraagt, of het mogelijk zou zijn dat
Burgemeester en Wethouders met den eigenaar van bedoeld
perceel overeenkomen, dat in deze straat niet een schutting
geplaatst wordt, maar een afscheiding in den trant van de
hekken van de huizen der bouwvereenigingen in de omge
ving. Te vreezen is, dat een houten schutting daar het aspect
van de straat zal bederven.
De heer Mulder zegt, dat het College het denkbeeld van
den heer Schüller zal overwegen. Men zal echter moeten af
wachten, of de eigenaar van het perceel bereid zal zijn om
te doen, wat de heer Schüller wenscht.
Zonder hoofdelijke stemming wordt overeenkomstig het
voorstel van Burgemeester en Wethouders besloten.
XVII. Voorstel:
a. tot aankoop van een strook grond ter oppervlakte van
540 M., deel uitmakende van het perceel Sectie K No. 36;
b. tot aankoop van de perceelen Sectie K Nis 34 en 35.
(Zie Ing. St. No. 80.)
De heer Huurman wijst er op, dat in de Stukken medegedeeld
wordt, dat de gemeente in onderhandeling is met de Neder-
landsche Spoorwegen omtrent overneming van grond langs de
verbindingsspoorbaan, en wil naar aanleiding daarvan vragen,
of het eigenlijk, met het oog op de toch altijd bestaande moge
lijkheid dat de onderhandelingen met de Nederlandsche Spoor
wegen tot geen gewenscht resultaat leiden, niet voorbarig is
om nu reeds deze perceelen aan te koopen. Of kan men deze
perceelen in elk geval benutten?
De Voorzitter antwoordt, dat menschelijkerwijs gesproken
deze zaak in orde is. Het gaat hoofdzakelijk nog over een
quaestie van servituten.
De heer Huurman zegt, dat zijn bezwaar is opgeheven,
indien Burgemeester en Wethouders kunnen garandeeren, dat
de zaak in orde komt.
Zonder hoofdelijke stemming wordt overeenkomstig het
voorstel van Burgemeester en Wethouders besloten.
XVIII. Praeadvies op het verzoek van C. Zweistra e.a.,
gewezen losse werklieden der Stedelijke Lichtfabrieken, om
restitutie van gestorte pensioensbijdragen.
(Zie Ing. St. No. 77.)
De heer Baart zegt, dat deze zaak een eigenaardiger) kant
heeft. Bij de directie van de Lichtfabrieken stond, in overleg
met het gemeentebestuur, vast, dat deze menschen in lossen
dienst waren en toch werden zij gedwongen pensioenpremie
te betalen. Zij hebben er dadelijk aanmerking op gemaakt,
maar kregen van de directie ten antwoord, dat zij moesten
betalen. Nu zeggen Burgemeester en Wethoudersin destukken
wel, dat Uie menschen in het genot van een wachtgeldregeling
zijn gesteld, maar dat is slechts betrekkelijk juist, want de
eerstgenoemde b.v., Zweistra, die volgens het College een
wachtgeld van 1273.per jaar zou hebben genoten, heeft
daarvan geen cent ontvangen, omdat hij in dienst van de
gemeente is gebleven, terwijl hij op den dag, volgende op dien,
waarop het wachtgeld eindigde, w7erd ontslagen. Zoo is het
ook met anderen gegaan. Van de 11 personen, die aanvankelijk
voor ontslag waren voorgedragen, zijn er 3 in dienst der
gemeente gebleven, zoodat het hier over 8 arbeiders gaat.
Met hen is op bijzondere wijze gehandeld, want in de Commissie
voor de Lichtfabrieken was besloten hun die gestorte premiën
terug te betalen en in dien geest was hun ook reeds een
mededeeling gedaan, zoodat zij de hoop koesterden dat geld
te zullen terugkrijgen. Nu de wet zich tegen de terugbetaling
verzet, had spreker verwacht, dat Burgemeester en Wet
houders een anderen weg zouden hebben gezocht om het
hun toch terug te geven. Waar dat niet is geschied, stelt
spreker voor, dien menschen een gratificatie toe te kennen,
gelijk aan het bedrag, dat zij aan pensioenpremie hebben
gestort. Waar deze menschen sedert hun ontslag steeds werk
loos zijn geweest en het geld dus goed kunnen gebruiken,
hoopt spreker, dat de Raad zijn voorstel zal aannemen.
De Voorzitter deelt mede het volgende voorstel ontvangen
te hebben:
»Ondergeteekende stelt voor aan C. Zweistra, J. Veldhuyzen,
J. Pennenburg, K. C. v. d. Plas e. a. die gedurende den tijd
dat zij in lossen dienst waren pensioenpremie hebben moeten
betalen, een gratifikatie te verstrekken, die gelijk is aan het
bedrag der pensioenpremie door die werklieden betaald".
Het voorstel van den heer Baart wordt voldoende onder
steund en maakt mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.
De Voorzitter meent, dat de heer Baart blijkens dit
voorstel zelf van meening is, dat teruggave der pensioen
premie niet mogelijk is volgens de wet; daarom wil hij nu een
gratificatie geven.
De heer van der Reijden zou, alvorens tot stemming over
gegaan wordt, alsnog inlichtingen van den Wethouder willen
hebben.
De heer van Eck ondersteunt het voorstel van den heer
Baart op billijkheidsgronden.
Wanneer men zich plaatst op streng wettelijk standpunt,
dan moet men toegeven, dat die menschen de pensioenpremie
niet terug kunnen krijgen, maar de Raadsleden moeten zich
in het algemeen bij de uitoefening van de publieke functie
ook plaatsen op het standpunt van mensch zijn.
De billijkheid brengt mede, dat de menschen het geld terug
krijgen. Men verplaatse zich eens in hun positie. Totnogtoe
was het altijd zoo dat was een zeker voorrecht voor
degenen, die in gemeentedienst waren dat men, wanneer
men zijn plicht deed en behoorlijk werkte, er redelijkerwijs
op kon rekenen, dat men in dienst bleef. Tengevolge van het
invoeren van een andere fabricagemethode aan de Gasfabriek
is een aantal menschen ontslagener zijn voor hen over
gangsmaatregelen getroffen, maar het bleef een harde maat
regel; die menschen zijn werkloos geworden en men weet,
in welke positie een werklooze in de kapitalistische maat
schappij verkeert!
Deze menschen hebben, nadat hun ontslag was aangezegd,
nog premie moeten betalen, waarvan zij eigenlijk slechts voor
een zeer klein gedeelte konden genieten, n.l. in den vorm
van weduwen- en weezenpensioen. Het is dus zeer hard, als
men den menschen het gestorte geld niet teruggeeft.
De Commissie voor de Lichtfabrieken heeft zich op hetzelfde
standpunt geplaatst. Op 4 Juli 1924 heeft zij besloten om den
betrokkenen het gestorte in den vorm van gratificatie terug
te geven, maar daarna is ten slotte de Commissie er voor terug
gedeinsd met het oog op de consequenties ten opzichte van
ander los personeel. Toen is deze zaak gesteld in handen van
Burgemeester en Wethouders en dezen hebben er bezwaar
tegen gemaakt.
Het is altijd moeilijk om zich te laten leiden door de uiterste
consequenties, want als men die uiterste consequenties aan-