MAANDAG 19 APRIL 1926.
39
wanneer er Raadsleden waren, van welke fractie dan ook,
die zeer bijzonder geschikt moesten worden geacht voor het
vervullen van deze vacatures en tevens bereid waren een
eventueele benoeming te aanvaarden, niet naar de politieke
richting moest worden gezien, maar die personen moesten
worden aangewezen. Zulke Raadsleden heeft men niet kunnen
vinden. Van degenen, die er waren, stond tevoren vast, dat
zij een eventueele benoeming niet zouden aannemen, zoodat
men tot de conclusie is gekomen, dat men in de vacatures,
ontstaan door het vertrek van den heer Oostdam, weer een
■Katholiek zou voorstellen.
Bij die overweging is bijzonder gelet op de S.D.A.P., omdat
die fractie in de verschillende Raadscommissiën niet zoodanig
vertegenwoordigd is, dat een ruimere vertegenwoordiging
voor haar een te grooten invloed zou beteekenen.
Van een achteruitstelling van die fractie kan nochtans
niet gesproken worden, want zij is in bijna alle belangrijke
Raadscommissiën vertegenwoordigd. Cijfers, als de heer van
Eek noemde, geven geen juist beeld van den toestand, aan
gezien de meerdere of mindere belangrijkheid van een com
missie toch ook een groote rol speelt.
De heer van Eck heeft een geluid vernomen, dat hij voor
verouderd hield: het geluid van de al of niet geschiktheid;
een geluid, op grond waarvan de bourgeoisie vroeger de
arbeiders gehouden heeft buiten het beheer van de publieke
zaak.
De heer Oostdam, overigens een zeer bekwaam man, had
van fabricage ook niet in het minst verstand krachtens zijne
opleiding, maar heeft men indertijd gevraagd, of hij geschikt
was om de functie van lid der Fabricage-Commissie te be-
kleeden
Spreker verwijst in dit verband naar een uitlating van den
heer Wibaut, die naar aanleiding van een advies om meer
macht toe te kennen aan deskundigen, gezegd heeft: wanneer
men eenigszins thuis is in de publieke zaak, dan weet men
zelf zijn deskundigen wel te kiezen en weet men ook wel wat
het advies van een deskundige waard is.
Kan men in een Commissie menschen krijgen, bekwaam in
het betreffende vak, zooveel te beter, maar ook menschen met
gezond verstand kunnen wel degelijk goed werk in die com-
missiën verrichten en kunnen ook nagaan, in hoeverre de
adviezen der deskundigen, die hun oordeel moeten geven,
dienen te worden gevolgd. In sprekers fractie is iemand,
werkzaam in de bouwvakken, en nu ziet spreker niet in
waarom in dit geval, nu het een arbeider geldt, het argument
van de al dan niet geschiktheid, waarvan men den laatsten
tijd nooit heeft gehoord, moet worden aangevoerd. Spreker
maakt deel uit van de Commissie voor de Lichtfabrieken,
ofschoon hij geen verstand beeft van de gas- en electriciteits-
fabricage; in die functie kan hij alleen zijn gezond verstand
laten werken en beoordeelen, of de adviezen der deskundigen
betrouwbaar zijn en in hoeverre die in het algemeen in over
eenstemming zijn met zijn kijk op de algemeene zaken. Het
is heel mooi om te zeggen, dat men het partijbelang wil
achterstellen bij het algemeen belang, maar zoo staat de zaak
toch niet. Als men zijn bepaalde partij-inzichten heeft, dan
meent men, dat met het opvolgen van die inzichten het
algemeen belang zal worden gediend. De sociaal-democraten
wenschen in de Raadscommissies vertegenwoordigd te zijn,
om te bevorderen, dat de adviezen, welke de Raad zal krijgen,
zoodanig zullen zijn en het gemeentebeheer zoo zal worden
gevoerd, dat daardoor naar hun inzichten het algemeen belang
en in het bijzonder dat van de groote massa der bevolking
het best zal worden gediend. Met de vraag of zij al dan niet
zitting willen nemen in het dagelijksch bestuur der gemeente
heeft dat niets te maken. Herhaaldelijk heeft spreker betoogd,
dat de oorzaak dier weigering deze is, dat zij meenen, dat
hun menschen in het College van Burgemeester en Wet
houders toch geen vruchtbaar werk kunnen doen.
De heer Huurman voegt spreker toe, dat hetzelfde geldt
voor de Raadscommissies, maar dat ontkent spreker, want zijn
ervaring als lid van een der belangrijkste commissies is, dat
men zeer goed deel kan uitmaken van zulk een commissie
en toch zijn algemeen politiek standpunt handhaven.
Spreker is zeer benieuwd welken bijzonderen deskundige de
Roomsch-Katholieke fractie op den voorgrond zal brengen. De
heer Schüller is iemand, die van gebouwen en het bouwen
op de hoogte is en die met behulp van deskundige voor
lichting ongetwijfeld de principes van zijn partij zeer wel zou
kunnen verdedigen.
De Raad heeft de macht en men moet zich daaraan onder
werpen, maar spreker beschouwt het als een achteruitzetting,
wanneer zijn fractie geweerd wordt uil alle functies, welke
de heer Oostdam bekleed heeft.
De heer Wilmer zegt niet beweerd te hebben, dat alleen
aan de rechterzijde personen zitten, geschikt voor deze functies,
en niet aan de overzijde.
Er is een vacature in de Commissie van Fabricage
ontstaan door het aftreden van een lid der Roomsch-Katho
lieke fractie en nu heeft deze fractie aldus geredeneerd:
wanneer er in andere fracties personen mochten zijn, bereid
om deze functie te aanvaarden en op zeer bijzondere wijze
geschikt daarvoor, dan zullen wij die functie niet opeischen
voor een lid onzer fractie. Nu heeft zich voor deze functie
beschikbaar gesteld de heer Spendel, nadat gebleken was,
dat uit de andere fracties zich geen deskundigen beschikbaar
zouden kunnen stellen.
Er is genoemd de naam van den heer Schüller, maar zijn
optreden hier heeft althans tot nu toe niet doen zien, dat
men in hem iemand zou hebben, die geschikter is dan anderen
voor deze functie, dat hij een speciale kennis bezit voor
deze functie. In dit verband wijst spreker op de interpellatie,
door den heer Schüller gehouden betreffende den Rijnsbur-
gerweg, na afloop waarvan de heer van Eck gezegd heeft:
ik ben nog even wijs als te voren, ik weet er nu nog niets
van. Die interpellatie getuigde wel van ijver en toewijding
aan het gemeentebelang, maar was ten slotte niet zoodanige
aanwijzing voor de technische kennis van den interpellant,
dat de Raad hem voor deze functie in aanmei'king zou moeten
doen komen en de Katholieke fractie zou moeten bewogen
worden een vacature, ontstaan door het vertrek van een
harer leden, door den heer Schüller te doen bezetten.
De heer Sijtsma zou, waar volgens den heer Wilmer de
Katholieke fractie haar candidaat zou willen prijs geven,
indien er een andere bijzonder geschikte candidaat was, met
dat denkbeeld kunnen meegaan, indien deze die lijn wat
verder doortrok en de vraag stelde: is er ook een betere
candidaat dan de onze? Men moet vooral in zoo'n neutrale
Commissie de meest geschikte personen hebben. Van de zijde
van de Katholieken is als deskundige genoemd de heer Spendel,
maar spreker wil de aandacht vestigen op don heer Wilbrink,
dien hij meer den aangewezen man van rechts acht om zitting
te nemen in de Commissie van Fabricage.
De heer Schüller vindt het wel eigenaardig, dat de heer
Wilmer thans voor den dag komt met de mededeeling, dat hij en
andere Raadsleden bij sprekers interpellatie den indruk hebben
gekregen, dat spreker niet op de hoogte was van de technische
zijde van het onderwerp, dat hij besprak, terwijl de heer
Wilmer na die interpellatie ook het woord heeft gevoerd en
heeft gezegd geen oordeel te kunnen vellen over de vraag of
spreker al dan niet gelijk had. Indien de heer "Wilmer op die
vraag een afdoend antwoord had willen hebben, waarom heeft
hij dan gestemd tegen sprekers voorstel om een commissie
van onderzoek te benoemen? Spreker is overtuigd, dat de
rechterzijde die commissie niet heeft gewild, omdat zij zag,
dat hetgeen hij in zijn interpellatie naar voren bracht, volkomen
juist was. En nu wordt er beweerd, dat sprekers betoog
zwak was!
De heer van Eck verkrijgt voor de derde maal het woord
en zegt, dat deze zaak in een absoluut verkeerde richting is
geleid. Het ging hierover, dat het tot dusverre bij de gemeente
besturen een goede gewoonte was, om bij de verdeeling der
functies in de Raadscommissies rekening te houden met de
getalsterkte der verschillende partijen en dan aan de partijen
over te laten uit te maken, wie zij in haar midden voor die
functies geschikt achtten. Het al dan niet deelnemen der
sociaal-democratische fractie aan het dagelijksch bestuur der
gemeente en de vraag of de heer Schüller bij zijn interpel
latie al dan niet de menschen heeft overtuigd, hebben met
deze kwestie niets te maken. Tot dusverre is ook nooit over
de geschiktheid der candidaten gesproken en thans wordt
die naar voren gebracht. Spreker vindt dat onaangenaam.
De heer Wilmer is trouwens in sprekers richting gegaan
met te zeggen, dat de heer Spendel ook geen deskundige is.
De S.D.A.P. zou volgens den heer Wilmer niet zooveel
recht van klagen hebben, omdat zij in de belangrijkste com-
missiën vertegenwoordigd zou zijnmaar spreker wijst erop,
dat zij gehouden is uit 3 belangrijke commissiën: de Com
missie van Fabricage, de Commissie voor het Grondbedrijf
en de Commissie van Advies voor Sociale Zaken.
Wat betreft sprekers uitlating na de interpellatie van den
heer Schüller, hij heeft eenvoudig gezegd, dat het na de
interpellatie bij hem niet vaststond wie gelijk had, doch dat
hij de overtuiging had gekregen dat het gewenscht was het
door een commissie te doen onderzoeken.
Spreker blijft bij zijne conclusie, dat het onbillijk en onver
standig zou zijn van de rechterzijde om sprekers fractie uit
al die functies te weren en spreekt de hoop uit, dat men
zal willen medewerken alsnog om aan die fractie recht te
doen wedervaren.
Wordt benoemd met 16 stemmen de heer H. W- Spendel;