38 MAANDAG 49 APRIL 1926. en tot oprichting van het »Fonds voor aanleg, onderhoud en beheer van Wandelparken"; 2°. tot verhooging van verschillende posten der begrooting, dienst 1925, waarvan de raming te laag is gebleken; 3*. tot nadere regeling van het verhaal van bijdragen voor inkoop van diensttijd ingevolge de Pensioenwet 1922 en tot aanvulling van het dictum van dat raadsbesluit. 4°. in zake de onteigening van een gedeelte van het perceel gemeente Leiden, Sectie K No. 567, ten behoeve van de ver breeding van den Lagen Rijndijk; 5°. tot verhuring van eenige perceelen teelland ten noorden van den Morschweg, aan J. Schild. 2°. Missive van Gedep. Staten ten geleide van een afschrilt van het Koninklijk Besluit van 27 Maart j.l., houdende goed keuring van de verordening van 30 November 1925, regelende de helfing van een plaatselijke belasting voor het gebruik van openbare gemeentewerken en -bezittingen te Leiden en voor diensten door de gemeente bewezen. 3°. Dankbetuiging van den heer G. L. Driessen, Directeur van Gemeentewerken, voor het besluit in zake de bestendiging in zijne betrekking na het bereiken van den 65-jarigen leeftijd. Worden voor kennisgeving aangenomen. De Voorzitter legt vervolgens over: 1°. Verzoek van de Vereeniging tot verzorging van kleine kinderen (Kinderbewaarplaats), om toekenning van een subsidie voor 1927. Zal worden behandeld bij de begrooting voor 1927. 2°. Verslag van Curatoren van het Gymnasium omtrent den toestand van die inrichting over 1925. Zal worden opgenomen in het Gemeenteverslag. 3°. Verzoek van de Vereeniging tot oprichting en instand houding van scholen voor lager en meer uitgebreid lager onderwijs op Gereformeerden grondslag te Leiden, om beschik baarstelling van gelden benoodigd voor de stichting van eén school voor gewoon lager onderwijs op een aan de gemeente toebehoorend terrein aan de Javastraat hoek Driftstraat. Wordt gesteld in handen van Burgemeester en Wethouders om praeadvies. Ten slotte deelt de Voorzitter nog mede: dat op 24 Maart j.l. heeft plaats gehad de opneming van de boeken en kas van den Gemeente-Ontvanger, waarvan proces-verbaal in duplo is opgemaakt, dat aan de Gedep. Staten is toegezonden en in de Leeskamer ter lezing neder- gelegd. Aan de orde is alsnu: II. Benoeming van een lid der Commissie van Fabricage (vacature A. J. Oostdam). De Voorzitter verzoekt den heeren Eerdmans, Spendel, Deumer en Schüller het stembureau uit te maken. De heer van Eck wenscht bij dit punt der agenda iets in het midden te brengen, wat tevens betrekking heeft op de drie volgende agendanummers. Uit de agenda blijkt niet alleen, dat de heer Oostdam een bijzonder werkzame persoonlijkheid was, maar ook, dat hij zeer vele functies bekleedde, welke hem door den Raad of door Burgemeester en Wethouders waren opgedragen. Er moet dus in een reeks van vacatures worden voorzien en nu acht sprekers fractie het gewenscht eens de vraag onder het oog te zien, of het in dit geval wel billijk zou zijn om, gelijk de laatste jaren gebruikelijk was, de gewoonte te volgen, dat bij het ontstaan van een vacature in een functie, waarover de Raad had te beslissen, in de plaats van het afgetreden lid bijna zonder uitzondering iemand van dezelfde politieke richting werd benoemd. Spreker zegt dit, omdat te Leiden de sociaal-democraten, wat betreft de ver deeling van zulke functies, tamelijk misdeeld zijn en daarin geenszins hun evenredig aandeel hebben. In 1923 hadden de sociaal-democraten met 8 leden slechts 9 commissieleden, de Roomsch-Katholieken met 7 leden niet minder dan 18 com missieleden en de Christelijk-Historischen met 6 leden 9 commissieleden. Door het vervallen van de reclame commissie voor de directe belastingen is de verhouding wel eenigszins veranderd, maar toch bezetten de Roomsch- Katholieken, die ongeveer de helft van het aantal leden der sociaal-democraten en Christelijk-Historischen te zamen tellen, nog meer commissie-zetels dan die beide partijen te zamen. De Katholieken kunnen hier dus niet over achteruitstelling klagen en het is de vraag of het wel billijk zou zijn om in al de functies, welke de heer Oostdam bekleedde, weer een lid van de Katholieke fractie te benoemen. Wat betreft het lidmaatschap van de Commissie voor Sociale Zaken, dat de heer Oostdam ook bekleedde en waar over Burgemeester en Wethouders beslissen, hoopt spreker dat het College ernstig zal overwegen of het niet billijk is, dat zijn fractie, als zijnde de talrijkste fractie en de fractie, welke op dit gebied altijd bijzonder is werkzaam geweest en in die zaken bijzonder belang stelt, in die Commissie wordt vertegenwoordigd. Bij het instellen dier Commissie heeft de uitsluiting van zijn fractie ontstemming gewekt. Op dit oogenblik moet een lid worden benoemd van enkele belangrijke commissies, zooals de Commissie van Fabricage en die voor het Grondbedrijf. Het gaat niet aan om te zeggen: die commissiën zijn een maal zoo samengesteld en wij zullen op dezelfde wijze voort gaan; wanneer het betreft het geven van een niet geringe macht in zake het bestuur van de gemeente. Dat zou niet alleen onbillijk maar ook onverstandig zijn; want men wekt aldus bij andere partijen de neiging op om, wanneer die de meerderheid zullen vormen, op dezelfde manier te werk te gaan. Wie wil, dat rechtvaardigheid wordt betracht, moet beginnen met zelf rechtvaardig te zijn, en het gaat niet aan om de talrijkste Raadsfractie uit dergelijke belangrijke com missiën te weren. Misschien heeft de rechterzijde reeds een uitspraak gedaan, maar men zou dan de moeilijkheid kunnen overwinnen door de benoemingen uit te stellen. Spreker kan niet veronder stellen, dat er bij de rechterzijde niet zouden zijn, die niet gevoelen voor de billijkheid van het standpunt, dat bij de bezetting van de verschillende commissiën ook rekening ge houden wordt met de talrijkheid van de sociaal-democratische Raadsfractie. Dat alleen toch maakt de verhouding zoo dragelijk mogelijk. Spreker kan mededeelen, dat zijn fractie als candidaten stelt: voor de Commissie van Fabricage den heer Schüller; voor de Commissie voor het Grondbedrijf den heer Dubbel- deman, en voor gedelegeerde in het bestuur der vereeniging »Schoolkindervoeding en -kleeding" den heer Verweij. De heer Eerdmans meent, dat het door den heer van Eck ingenomen standpunt niet billijk is tegenover hen, die straks misschien hun stem zullen uitbrengen in een andere dan door hem gewenschte richting, want het gaat niet aan om daaruit af te leiden, dat men den invloed der sociaal-demo craten in dezen Raad zoover mogelijk naar achter zou willen dringen. De rede van den heer van Eck gaat uit van een verkeerd inzicht in het wezen der commissiën. De commissiën adviseeren en verleenen bijstand aan het dagelijksch bestuur der gemeente. Nu zijn de Raadsleden vogels van diverse pluimage, maar hunne meerdere bekwaamheid ten opzichte van verschillende punten hangt meer samen met wat zij tot dusver in de maatschappij geweest zijn dan met de politieke overtuiging. Voor het lidmaatschap van de Commissie van Fabricage moet men menschen zoeken, die door hun gewone kennis eenigen waarborg bieden, dat zij in die functie goed werk kunnen verrichten en men mag bij zijn keuze niet zien naar zijn eigen politieke richting. Spreker zou geen bezwaar hebben zijn stem uit te brengen op een sociaal-democraat, als het iemand was, van wien men wist of kon onderstellen, dat hij van het uitvoeren van gemeentewerken op de hoogte was. De leden van zulk een commissie hebben niet het belang van een partij, maar het gemeentebelang te behartigen. Het uitgangspunt van den heer van Eck is niet juist en het verbaast spreker te meer, dat de heer van Eck zoo uitvoerig en zoo krachtig zit te pleiten, waar diens fractie heeft geweigerd deel te nemen aan het dagelijksch bestuur der gemeente, waarin haar een zetel is aangeboden. Als men niet wil meedoen aan het bestuur der gemeente, omdat men de verantwoordelijkheid niet wenscht te dragen en liever critiek blijft uitoefenen, begrijpt spreker niet, dat men er prijs op stelt vertegenwoordigd te zijn in de Raadscommissies, welke toch ook hulp verleenen in het bestuur der gemeente. - De heer van Eck neemt een verkeerd standpunt in en daarom mag hij niet, als hij zijn zin niet krijgt, daaruit besluiten tot een soort bijzondere onverdraagzaamheid jegens de sociaal-democraten. De heer Wilmer zegt, dat de leden der Roomsch-Katho- lieke fractie over deze vacatures, in het bijzonder over die in de Commissie van Fabricage als zijnde een der belang rijkste, zoo niet de belangrijkste Raadscommissie, vrij uit voerig hebben beraadslaagd en daarbij de consequentie hebben getrokken van hun standpunt, dat dit is: een partijbelang moet altijd worden bezien ondergeschikt aan en in het licht van het gemeentebelang. Die consequentie was deze, dat,

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1926 | | pagina 2