45
ter stede bijzonder gunstig te noemen. Met de Commissie
van Fabricage zijn wij dan ook van meening, dat er voor
het aanleggen van een haven in deze gemeente uit dezen
hoofde dus inderdaad niet voldoende reden bestaat.
De bedoeling van den indiener der motie is, mede blijkens
zijn mondelinge toelichting (Handelingen 1924, blz. 280/1),
dan ook veeleer, de vestiging van industrieën in Leiden door
het maken van een haven „met daaraan gelegen industrie
terrein" te bevorderen. Het is evenwel naar het oordeel van
ons College nog een open vraag, of het voor Leiden wer
kelijk van zoo groot belang is, dat zich hier nieuwe indus
trieën komen vestigen; immers tegenover de onmiskenbare
voordeelen, welke bloeiende industrieën voor de gemeente
opleveren staat het nadeel, dat aan de gemeente tegelijkertijd
zware lasten worden opgelegd, die in minder voorspoedige
tijden zelfs zeer drukkend kunnen worden. Doch afgezien
van deze quaestie, welke wij hier niet in den breede meenen
te moeten behandelen, achten wij het niet raadzaam, van
gemeentewege gronden als industrieterrein te gaan inrichten,
zonder dat tevoren vast staat of, en zoo ja, welk bedrijf men
hier ter stede op die terreinen wenscht te vestigen of uit te
breiden. Nog minder gewenscht ware het, met zoodanig
doel, doch zonder die zekerheid, grond te gaan aankoopen.
Dit zij met een voorbeeld toegelicht. De gemeente bezit
eenige terreinen aan den Westelijken oever van de Zijl,
welke in menig opzicht geschikt schijnen voor de vestiging
van een industrie. De gronden zijn in den polder gelegen en
het „inrichten tot industrieterrein" zou dus in de eerste
plaats bestaan in het ophoogen van het terrein. Er zijn
echter industrieën, voor welke het geen beletsel vormt, om
op een lagen grondslag te bouwen. Deed zich nu zulk een
gegadigde voor, dan zou de voorafgegane ophooging door
de gemeente weggegooid geld beteekenen. Hetzelfde kan
gezegd worden van het maken van walbeschoeiïngen, oever
bescherming, toegangswegen, enz. Vermits men immers
vooruit niet weet, of al die werken noodig zullen zijn voor
het bedrijf, dat zich aldaar zal vestigen, bestaat er kans,
dat de uitgaven geheel of gedeeltelijk overbodig of zelfs
ondoelmatig zullen blijken te zijn geweest.
Het verdient daarom aanbeveling, dat de gemeente ten
deze eene afwachtende houding aanneemt.
Overigens schijnt er naar de gemeentelijke terreinen geen
groote vraag te bestaaner hebben zich wel eens gegadigden
aangemeld, maar tot koopen kwam het tot dusverre niet.
En ook ten opzichte van de talrijke particuliere terreinen
is de conclusie gewettigd, dat er over het algemeen weinig
animo bestaat, om hier ter stede nieuwe industrieën te
vestigen, hoewel er voor dit doel genoeg gunstig gelegen
gronden in de gemeente aanwezig zijn (vgl. de te Uwer
inzage liggende rapporten en den daarbij overgelegden
plattegrond).
Intusschen hebben wij er geenerlei bezwaar tegen, dat de
gemeente bij eventueele aanvragen om geschikt industrie
terrein, jegens de belanghebbenden een tegemoetkomende
houding aanneemt en hun de noodige faciliteiten verleent,
bijvoorbeeld door het stellen van redelijke huur- of koopprijzen
en door het inrichten van het terrein indien het gemeen
telijke gronden betreft of, in andere gevallen, door het,
voor zoover mogelijk, ontheffen van verordeningen, tarieven
of bepalingen, welke de vestiging van het bedrijf op eenigerlei
wijze zouden kunnen bemoeilijken.
Uit het bovenstaande zal U zijn gebleken, dat we eenerzijds
de vestiging van industrieën te dezer stede, waar mogelijk
gaarne zullen vergemakkelijken, doch het anderzijds niet
wenschelijk oordeelen, over te gaan tot het maken van
concrete plannen voor den aanleg van een haven met
daaraan gelegen industrieterrein, gelijk in de motie wordt
voorgesteld. Trouwens, de enorme uitgaven, welke daarmede
gemoeid zouden zijn, vormen in de tegenwoordige omstandig
heden daartegen reeds een overwegend bezwaar, vooral omdat
zij o. i. tegen het te verwachten nut niet zullen opwegen.
In dit verband zij overigens nog medegedeeld, dat er ge
legenheid zal zijn, het vraagstuk van de industrieterreinen
nog nader onder de oogen te zien bij de herziening van het
uitbreidingsplan der gemeente, welke binnenkort ter hand
genomen zal moeten worden en met betrekking waartoe wij
dezer dagen een voorstel bij Uwe Vergadering aanhangig
zullen maken.
Ten slotte een enkel woord over de quaestie van den
grondwaterstand in de terreinen achter Mare- en Heeren
singel, welke in de motie van den heer Wilbrink eveneens
vermeld wordt. Een rechtstreeksch verband tusschen dit
onderwerp en den aanleg van een haven met industrie
terrein hebben wij intusschen niet kunnen vinden.
Een lage grondwaterstand is in de toekomst, bij de zich
uitbreidende bebouwing in genoemd stadsgedeelte, inderdaad
van overwegend belang. Om dien lagen waterstand te waar
borgen zal dan ook wellicht te zijner tijd een afwaterings
kanaal tusschen de Zijl en de Haarlemmertrekvaart gegraven
moeten worden. Een voorloopig plan daarvoor is bereids
ontworpen, doch waar de juiste ligging van dit kanaal met
verschillende andere zaken verband houdt en hierop met het
oog op de zooeven vermelde herziening van het uitbreidings
plan niet vooruit geloopen kan worden, kan wij wezen
er in den aanhef reeds op te dezer zake nog geen omlijnd
voorstel worden gedaan.
Na de bovenstaande mededeelingen meenen wij Uwe
Vergadering overeenkomstig het gevoelen van de Commissie
van Fabricage in overweging te mogen geven, de motie van
den heer Wilbrink als afgedaan te beschouwen.
Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden.
N°. 95. Leiden, 7 Mei 1926.
Onder mededeeling, dat wij ons met nevensgaand voorstel
van Commissarissen der Stedelijke Fabrieken van Gas en
Electriciteit in zake electriciteitslevering aan de gemeente
Noordwijk, geheel kunnen vereenigen, geven wij U, met ver
wijzing naar den inhoud van de missive van Commissarissen,
in overweging, tot vaststelling van de hierbij overgelegde
concept-overeenkomst, betreffende de levering van electriciteit
aan de gemeente Noordwijk, over te gaan.
Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden.
CONCEPT-OVEREENKOMST
betreff ende de levering van electriciteit aan de gemeente Noordwijk
door de Stedelijke Electriciteitsfabriek te Leiden.
Aktikel 1.
Duur der overeenkomst.
1. Leiden verbindt zich (behoudens omstandigheden van
zijnen wil onafhankelijk) van 1 Januari 1926 af tot 31
December 1940 electrischen stroom .te zullen verstrekken
ten behoeve van de electriciteitsvoorziening van Noordwijk,
onder de hierna te noemen voorwaarden, terwijl Noordwijk
zich verbindt gedurende denzelfden termijn onder die voor
waarden den voor de electriciteitsvoorziening van de gemeente
Noordwijk benoodigden stroom uitsluitend van Leiden te
betrekken en zichzelf van het opwekken van stroom te
onthouden.
2. Noordwijk verbindt zich voorts van 1 Januari 1926 af
gedurende den duur dezer overeenkomst tenminste aan elec
trischen stroom te betrekken 150.000 K.W.U. per kalenderjaar.
Mocht in een kalenderjaar minder dan het gegarandeerde
minimum afgenomen zijn, dan zullen de niet-verbruikte
K.W.Uren tegen 10 cent per K.W.U. aan Noordwijk als
verbruikt in rekening worden gebracht.
3. Voor de berekening van het jaarlijksche verbruik aan
electrischen stroom komt niet in aanmerking de stroom,
welke wordt geleverd aan verbruikers, die den stroom
krachtens afzonderlijke overeenkomst van Leiden betrekken,
alsmede de stroom, welken Leiden in andere gemeenten levert
door aansluitingen, welke haar stroom ontvangen door eenig
in de gemeente Noordwijk liggend deel van het voor Noord
wijk gelegde kabel- of leidingnet.
4. Wanneer de stroomlevering na 1 Januari 1926 aanvangt,
zal de garantie, ingevolge het bovenstaande over 1926 ver
schuldigd, worden verminderd met 12.500 K.W.U. voor elke
volle kalendermaand, dat de stroomlevering na 1 Januari
1926 aanvangt.
Aktikel 2.
Distributie van de electriciteit.
1. Noordwijk zal zich belasten met de distributie van de
door Leiden geleverde electriciteit, door aan de aangeslotenen
in zijn gebied de electriciteit te leveren en daartoe op de
door hem vast te stellen voorwaarden op aanvraag aansluiting
aan zijn electriciteitsnet te verleenen. Het tarief, geldende
voor levering van electriciteit door Noordwijk aan zijne
ingezetenen, zal, zoolang het electrisch bedrijf van Noordwijk
winst maakt (zuilendein winst een eventueel door Noordwijk
te heffen retributie voor het leggen van kabel in gemeente
grond geacht worden te zijn begrepen) niet meer dan 10%
hooger mogen zijn dan het tarief, dat door Leiden in de
gemeenten, waarin het aan ingezetenen rechtstreeks electri
citeit levert, voor electrischen stroom wordt berekend.
2. De overige voorwaarden zullen ongeveer gelijk zijn aan
de voorwaarden, waartegen Leiden electriciteit levert in zijne
bovenbedoelde buitengemeenten.
3. Leiden is bevoegd met een grootverbruiker, die genegen
is een jaarverbruik van tenminste 10.000 K.W.U. voor kracht