44
N°. 93. Leiden, 5 Mei 1926.
Bij de behandeling, in Uwe Vergadering van 24 Augustus
1925, van ons voorstel in zake de uitdieping van den Nieuwen
Itijn tusschen Bijn-Schiekanaal en Singelbrug, bet vernieuwen
van de walbeschoeiïng daar ter plaatse en het uitvoeren van
diepwerken in het overige vaarwater binnen deze gemeente
(zie Ingek. Stukken no. 158 van 1925), maakte Uw medelid,
de heer Wilbrink, eenige opmerkingen, welke er toe leidden,
dat de verdere beraadslaging over deze punten tot een
volgende vergadering werd aangehouden, ten einde ons
College in de gelegenheid te stellen, een en ander nader te
overwegen.
Het was in het bijzonder de uitdieping van bovengenoemd
gedeelte van den Nieuwen Bijn, waarmede de heer Wilbrink
zich niet kon vereenigen en die hij, met het oog op de z.i.
geringe beteekenis van dezen waterweg, achterwege gelaten
zou willen zien.
Wij hebben naar aanleiding van dit betoog (zie Handelingen
1925, blz. 133/4) deze zaak opnieuw en ampel overwogen,
doch kunnen geen redenen vinden, om ons desbetreffend
voorstel terug te nemen.
Al moge de Nieuwe Bijn, vooral wat de doorgaande scheep
vaart betreft, thans nog niet op één lijn gesteld kunnen
worden met den hoofdwaterweg Oude Bijn-Haven-Oude
Vest, toch mag men de beteekenis van eerstgenoemd vaar
water niet onderschatten. De Nieuwe Bijn voorbij het Eijn-
Schiekanaal is immers de aangewezen toegangsweg voor de
vaartuigen, welke bestemd zijn voor de daarlangs en verderop
gelegen inrichtingen van handel en industrie, en die aan het
Utrechtsche Veer, tusschen de Singelbrug en de Bijnbrug
gaan laden of lossen. Er wordt van dezen wal in den laatsten
tijd een toenemend gebruik gemaakt en ongetwijfeld zou de
Nieuwe Bijn als toegangsweg eveneens in belangrijker mate
gebruikt worden, wanneer de toestand van dit vaarwater
zulks maar mogelijk maakte. De bestaande diepte belemmert
deze ontwikkeling echter ten zeerste en de huidige toestand
mag daarom o. i. niet bestendigd blijven.
Eeeds in ons voorstel van 4 Juli 1925 wezen wij op de
onvoldoende gesteldheid van den Nieuwen Bijnuit de hier
over nader aan ons uitgebrachte rapporten, alsook uit de
daarbijgevoegde dwarsprofielen, welke in de Leeskamer te
Uwer inzage liggen, kan zulks U opnieuw blijken. Uitdieping
van dezen vaarweg mag naar onze meening niet langer achter
wege worden gelaten.
De Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Bijnland,
wier gevoelen wij over deze aangelegenheid hebben inge
wonnen, juicht het verbeteren van de verschillende water
wegen in deze gemeente toe, doch meent, wat den Nieuwen
Bijn betreft, dat daar met een diepte van 2.20 M. in de as
van het water zou kunnen worden volstaan. Wij doen U
evenwel opmerken, dat een zoodanige beperking van de
vaardiepte eer nadeel dan voordeel medebrengt en ons dan
ook ongeraden schijnt.
In de eerste plaats zou bij een uitdieping tot slechts
2.20 M. de vernieuwing van de vermolmde beschoeiing langs
het Utrechtsche Veer even noodzakelijk blijven als bij de
door ons voorgestelde uitdieping tot 2.80 M. vaardiepte
(gelijkstaande met 3.40 M. -r N.A.P.), terwijl die vernieuwing
in beide bevallen op volkomen gelijke wijze zal moeten
geschieden. Er zou dus hoogstens een geringe besparing aan
baggerwerk uit voortvloeien, doch de uitgaven voor de
nieuwe beschoeiing die het leeuwenaandeel van de totale
kosten uitmaken zouden dezelfde blijven.
Uitdieping tot slechts 2.20 M. zou bovendien de talrijke
bedrijven en inrichtingen langs en tegenover het Utrechtsche
Jaagpad (zie de overgelegde kaart) op het stuk van scheep
vaartverkeer niet onbelangrijk achterstellen bij die, welke
elders aan groot vaarwater gelegen zijn en het is dus niet
onwaarschijnlijk dat mettertijd verdere uitdieping tot 2.80 M.
gewenscht zou worden. En nu behoeft het wel geen betoog,
dat latere uitdieping tot 2.80 M. in totaal meer zal kosten
dan uitdiepen in eens op volle diepte.
De heer Wilbrink vestigde er in Uwe Vergadering van
24 Augustus 1925 nog de aandacht op, dat een uitdieping
tot 2.80 M. zich niet zal kunnen uitstrekken tot den Noor
delijken, aan particulieren toebehoorenden en onbeschoeiden,
oever, omdat deze dan naar den Biju zou afschuiven. Wij
meenen evenwel te mogen verwachten, dat het meerendeel
der belanghebbende eigenaren, uit overweging, dat de grootere
vaardiepte aan hunne bedrijven ten goede zal komen, voor
de noodige boordvoorziening zal zorgen. Zooals wij destijds
reeds opmerkten, zal, waar deze ontbreekt, de uitdieping zich
plaatselijk niet tot vlak onder den wal kunnen uitstrekken.
Bestaat er derhalve naar het oordeel van ons Ooilege,
alsook naar het gevoelen der Commissie van Fabricage, alle
aanleiding om de onderhavige uitdieping en vernieuwing
der walbeschoeiing overeenkomstig ons desbetreffend voorstel
ter hand te nemen, inmiddels is het mogelijk gebleken, de
kosten van de uitvoering dezer werken iets lager teramen.
Oorspronkelijk werd de uitdieping begroot op 18.000
en de vernieuwing der beschoeiing op 57.800, welk
laatste bedrag berekend was naar den maatstaf van 85
per strekkenden meter. Het is echter waarschijnlijk, dat de
kosten van het baggerwerk niet meer dan 13.500 zullen
bedragen en dat die van de nieuwe walbeschoeiing in casu
tot 54.400 kunnen worden teruggebracht. Door deze
besparing van rond 7.900 zullen de totale uitgaven derhalve
67.900 inplaats van 75.800 beloopen.
Met het oog op deze veranderde cijfers, zoomede op het
sindsdien begonnen nieuwe dienstjaar, hebben wij hieronder
ons voorstel opnieuw geformuleerd; de strekking er van
komt intusschen geheel met ons oorspronkelijk voorstel
overeen. Slechts zullen de uitdieping en de boordvoorziening
uiteraard niet zooals oorspronkelijk het. plan was in
1925 en 1926, doch in de jaren i926 en 1927 worden
uitgevoerd.
Wat het bedrag van 2000 betreft, hetwelk wij U voor
stelden voorloopig jaarlijks op de begrooting uit te trekken
voor het uitvoeren van diepwerken hier en daar binnen de
gemeente (vgl. volgn. 289 der begrooting voor 1926), dit
achten wij voor het beoogde doel toereikend. De vraag van
den heer Wilbrink, of het niet gewenscht is, om voor het
eerste jaar een hooger bedrag uit te trekken, beantwoorden
wij derhalve ontkennend.
Met intrekking van ons voorstel van 4 Juli 1925 sub
b, c en d (Ingek. Stukken 1925, No. 158), geven wij U thans
in overweging
a. door vaststelling van den hierbij overgelegden supple-
toiren begrootingsstaat een bedrag van 67.900 te onzer
beschikking te stellen, te vinden uit leening en uit de ge
wone middelen af te lossen in 10 jaren, telkens voor 1/10
gedeelte, te beginnen met het jaar 1926, ten behoeve van
de uitdieping van den Nieuwen Bijn tusschen het Bijn-
Schiekanaal en de Singelbrug en de daarmede gepaard
gaande vernieuwing van de walbeschoeiing; op den post
voor „Onvoorziene Uitgaven", dienst 1926, waarvan 6790
moet worden afgeschreven, is nog 72663 beschikbaar;
b. te besluiten, dat op de begrootingen voor de eerstvol
gende jaren telkens een bedrag van 2000 zal worden
uitgetrokken voor het uitvoeren van diepwerken in het
vaarwater binnen deze gemeente ter plaatse, waar zulks
naar het oordeel van ons College noodig is
c. het adres van de Kamer van Koophandel en Fabrieken
voor Bijnland, inzake den toestand van de wateren en
bruggen in deze gemeente, hiermede als afgedaan te
beschouwen.
Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden.
N°. 94. Leiden, 7 Mei 1926.
Tijdens de algemeene beschouwingen over de ontwerp-
begrooting voor het dienstjaar 1925 werd een door Uw
medelid, den heer Wilbrink, ingediende motie, luidende:
„De Baad noodigt Burgemeester en Wethouders uit die
maatregelen te nemen, welke noodig zijn om te komen tot
het opmaken van plannen benevens kostenberekening van
een haven met daaraan gelegen industrieterrein, en waarbij
dan tevens tot oplossing komt de kwestie van den grond
waterstand in de terreinen achter de Mare- en Heerensingel,"
door Uwe Vergadering om praeadvies in onze handen
gesteld.
De afdoening van deze motie heeft eenige vertraging
ondergaan, omdat daarin aan het haven- en industrieterrein-
vraagstuk de quaestie van den grondwaterstand in het
Noord-Oostelijk stadsgedeelte werd verbonden. Deze laatste
aangelegenheid nu hangt samen met onderscheidene andere
vraagstukken, (zooals de herziening van het uitbreidingsplan
der gemeente, het graven van een afwateringskanaal tusschen
de Zijl en de Slaaghsloot, enz.), welke een uitvoerige en
langdurige voorbereiding vorderen. Ook thans zijn laatst
bedoelde quaestie's nog niet rijp voor een definitieve oplos
sing, doch wij meenen, waar de motie in hoofdzaak den
aanleg van een haven met daaraan gelegen industrieterrein
betreft, het uitbrengen van ons praeadvies niet langer te
mogen uitstellen.
Wat nu het graven van een haven aangaat, wijzen wij
er op, dat Leiden over meer scheepvaartwater beschikt, dan
de meeste andere steden in ons land.
Zoowel voor de groote als de kleine scheepvaart is er
meer dan voldoende ruimte voor het aanleggen van vaar
tuigen, en waar de belangrijkste bedrijven aan groot vaar
water zijn gelegen en de goederen dus onmiddellijk kunnen
worden gelost of geladen, is de toestand op dit gebied hier