GEMEENTERAAD VAN LEIDEN. 43 ÏKUEKOMEIV STUKKEN. N°. 88. Leiden, 19 April 1926. De Commissie van Financiën heeft de eer U mede te deelen, dat zij geen bezwaren heeft tegen de voorgestelde wijzigingen van de begrooting 1926, betreffende het aangaan van een 2-tal geldleeningen bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de conversie van de 5^%-geldleening in eene 4f %-geldleening, gesloten bij het Eigen Pensioenfonds voor de Europeesche Burgerlijke Ambtenaren in Ned.-Indië, en betreffende de nadere vaststelling van den rentevoet van de voor de premie-bouwplannen verschuldigde annuïteiten. De Commissie heeft evenmin bedenkingen tegen de voor stellen van Burgemeester en Wethouders, in zake: a. de ruiling met Th. L. Genet van een aan de gemeente toebehooreüd gedeelte grond, kad. bekend Sectie K. No. 704 ged. tegen een gedeelte grond, kad. bekend Sectie K. Nis. 3605 en 3237 beide ged.; b. de ruiling met M. Splinter Gzn. van een aan de gemeente toebehoorend gedeelte grond aan de Narcissenstraat, tegen een gedeelte grond, kad. bekend onder Sectie M. No. 3355 ged. c. den aankoop van een strook grond ter oppervlakte van 540 M2., deel uitmakende van het perceel Sectie K. No. 36 en van de perceelen Sectie K. Nis. 34 en 35. Aan den Gemeenteraad. De Commissie van Financiën. N°. 89. Leiden, 28 April 1926. Ter voldoening aan het bepaalde bij art. 5 der verordening van 19 Januari 1911, houdende Reglement op het beheer en bestuur van het Krankzinnigengesticht „Endegeest", de afdeeling voor jeugdige idioten „Voorgeest" en het Sanatorium voor zenuwlijders „Rhijngeest" (Gem.blad No. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening van 17 Maart 1924 (Gem.blad No. 8), hebben wij de eer Uwe Vergadering, ter vervulling van de vacature, die in de Commissie van Beheer over die inrichtingen is ontstaan, tengevolge van de ontslagname van den heer A. J. Oostdam als lid van Uwe Vergadering, na raadpleging der Commissie, de volgende aanbeveling aan te bieden 1°. de Heer Th. B. J. WILMER; 2°. de Heer C. J. VAN TOL. Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden. N°. 90. Leiden, 29 April 1926. Bij besluit van Uwen Raad van 16 Februari 1925 werd overeenkomstig ons voorstel (zie Ingek. Stukken No. 29 en Gemeenteblad No. 5 van 1925) eene wijziging gebracht in de aanvangsuren van de Vrijdagsche veemarkt, waardoor de regeling van die aanvangsuren voor de praktijk gemakkelijker en beter te overzien werd. Dientengevolge vangt de veemarkt thans aanin de maanden Januari en December te 8 J uur v.m. in Februari en November te 8 uur v.m.; in Maart en October te 7 uur v.m. en in de maanden April tot en met September te 6 uur v.m. Zooals U uit de ter inzage liggende stukken kan blijken, achten de belanghebbende veehandelaren het, in verband met de keuring van het vee, gewenscht, dat de opening van de veemarkt gedurende het tijdvak van October tot en met Maart alsnog een half uur vroeger gesteld wordt. Tegen inwilliging Van dezen wensch bestaat noch bij Burge meester en Wethouders, noch bij de Commissie voor het Marktwezen bezwaar. Ook wij kunnen ons er mede vereenigen, mits rekening worde gehouden met het voorschrift van het Koninklijk Besluit van 23 Februari 1922 (Stbl. No. 76) ter uitvoering van artikel 5 der Veewet, hetwelk onder meer bepaalt, dat het begin van den tijd, waarbinnen vee ter veemarkt mag worden toegelaten, niet vóór zonsopgang mag worden gesteld. Ten einde hieraan te voldoen, ware derhalve in de verordening de bepaling op te nemen, dat in geen geval vee ter veemarkt wordt toegelaten vóór zonsopgang. De verordening op de Veemarkt zal voorts nog eene verandering moeten ondergaan, nu het zooëven vermelde Koninklijk Besluit eenigen tijd geleden (K.B. van 12 November 1925, Stbl. No. 443) is gewijzigd. Moest de gemeentelijke verordening ingevolge genoemd Koninklijk Besluit tot nog toe o.m. inhouden, dat een verscherpt markttoezicht zal intreden, wanneer en voor zoover de inspecteur zulks bij het dreigen, optreden of heerschen eener besmettelijke veeziekte noodig acht, thans moet de verordening eveneens bepalen, dat het verscherpte markt toezicht ook zal worden gehandhaafd zoolang de inspecteur dat in de bedoelde omstandigheden noodig acht. Art. 25 der verordening op de Veemarkt moet derhalve in dezen zin worden aangevuld. Op grond van het bovenstaande geven wij U in overweging over te gaan tot vaststelling van de navolgende verordening VERORDENING, houdende wijziging van de verordening van 25 September 1922 (Gemeenteblad No. 56) op de Veemarlct, gewijzigd bij ver ordening van 16 Februari 1925 (Gemeenteblad No. 5). Aetikel I. In het derde lid van artikel 3 van bovengenoemde ver ordening wordt in plaats van „8|", „8" en „7" gelezen respectievelijk: „8", „7|" en „6|" en wordt achter het woord „verstande" ingevoegd: „dat in geen geval vee ter veemarkt wordt toegelaten vóór zonsopgang en". Art. II. Artikel 25 wordt gelezen als volgt: „Een verscherpt markttoezicht zal intreden, wanneer en voor zoover, en zal worden gehandhaafd, zoolang de inspec teur-districtshoofd zulks bij het dreigen, optreden of heerschen eener besmettelijke veeziekte noodig acht." De Commissie voor de Strafverordeningen, N. C. de Gijselaar, Voorzitter. E. Schotman, Secretaris. Aan den Gemeenteraad. Nü. 91. Leiden, 30 April 1926. De eigenaar van het perceel, kadastraal bekend Sectie M no. 2297, zijnde een gedeelte van de De Laat de Kanterstraat, die in verband met den voorgenomen bouw van een steenen schuurtje ter plaatse, ingevolge artikel 1 der verordening op het Bouwen en Sloopen een gedeelte van genoemd perceel aan de gemeente zou moeten afstaan, heeft zich bereid ver klaard dit gansche perceel kosteloos aan de gemeente in eigendom en onderhoud over te dragen, mits voor hem daaruit geen kosten voortvloeien. Het bezit van dezen grond, op de overlegde situatietee- kening met roode arceering aangegeven, is, zooals U uit de ter inzage liggende stukken kan blijken, voor de gemeente niet zonder belang. Hoewel dit gedeelte van de De Laat de Kanterstraat nog niet bestraat is (gerioleerd is het wel), be staat er dus alle aanleiding om op de onderhavige aanbieding in te gaan en in dit bijzonder geval af te wijken van den regel, dat de gemeente alleen aangelegde straten overneemt. Overeenkomstig het gevoelen van de Commissie van Fabricage geven wij U mitsdien in overweging te besluiten tot overneming in eigendom en onderhoud bij de gemeente, zonder betaling van koopsom, van het op de overgelegde teekening met roode arceering aangeduide perceel, kadastraal bekend gemeente Leiden, Sectie M, no. 2297. Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden. N°. 92. Leiden, 4 Mei 1926. Tegen inwilliging van nevensgaand verzoek van Mevr. W. van der WaalsRolloos bestaat bij ons College geen bezwaar. Mitsdien geven wij Uwe Vergadering in overweging Mevr. W. van der WaalsRolloos, weder voor het tijdvak 1 Mei 19261 Mei 1929, in hare betrekking van Stads-Vroedvrouw te bestendigen. Aan den Gemeenteraad. Burg. en Weth. van Leiden. Weled. Achtb. Heeren Burgemeester en Wethouders der Gemeente Leiden! Ondergeteekende verzoekt U.E. Achtb. vriendelijk om continuatie in de betrekking van Stadsvroedvrouw. U.E. bij voorbaat mijn beleefden dank zeggende, noemik mij Hoogachtend Uwe Diensw. Dienaresse W. van der WaalsRolloos, Leiden, April 1926. Verloslcundige.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1926 | | pagina 12