46 MAANDAG 19 APRIL 1926. De zaak is, dat door de slechte economische omstandigheden en de werkloosheid in de fabrieksbedrijven het aantal trans portarbeiders aanzienlijk toegenomen is, doch dat het trans- portarbeiderswerk niet naar evenredigheid is vermeerderd; dat is de oorzaak, waarom steeds een groote groep van deze arbeiders werkloos is. De heer Wilbrink heeft gesproken over aardappelen lossen. De aardappelensjouwers zijn in het algemeen vaste ploegen, die regelmatig voor dezelfde werkgevers lossen en die zijn niet zooveel werkloos als transportarbeiders, die moeten zien wat voor werk ze kunnen krijgen. Aardappelensjouwers, die in drie dagen een weekloon verdienen, komen niet in aan merking voor een uitkeering, ook al zijn ze 3 dagen in de week werkloos geweest. Tot sprekers verwondering heeft de heer Witmans zich aangesloten bij het betoog van den heer Wilbrink. Deze is blijkbaar te veel afgegaan op het rapport, maar hij heeft uit het oog verloren, dat dit klaarblijkelijk opgesteld is met de bedoeling om deze groep voor te stellen als menschen, wien het om niets anders te doen is dan om steun te krijgen. Ook het betoog van den Wethouder wijst in die richting, (lij noemt gevallen van menschen, die zooveel verdienen en voor ondersteuning niet in aanmerking zouden moeten komen. De Wethouder heeft, waar spreker onder andere had mede gedeeld, dat de afdeeling Leiden van den Centralen Rond van Transportarbeiders in 1925 telde 252 arbeiders, die tezamen ruim 17000 werklooze dagen hadden gehad, er op gewezen, dat die 252 arbeiders niet altijd dezelfde zijn geweest. Spreker geelt dat toe, maar wijst er op, dat in elke andere organisatie eveneens voortdurend schommelingen in het ledental plaats hebben, hetgeen hij met cijfers aantoont voor den metaal- bewerkersbond en den bond van bouwvakarbeiders, waar in 1923, 1924 en 1925 respectievelijk 35, 77 en 124 en 73, 112 en 94 nieuwe leden werden ingeschreven. Van een abnormale verschuiving onder het ledental is ten aanzien van den Trans portarbeidersbond geen sprake. In het rapport wordt ook gezegd, dat de vraag gewettigd is of alleen zij, die in het bedrijf thuis behoorden, werden ingeschreven, terwijl er dan volgt, dat de aanwas bedroeg 173 leden, onder wie slechts 40 transportarbeiders. Daarmede wordt gezegd, dat de rest, dus 130 ingeschrevenen, geen trans portarbeiders waren. Dat is niet juist. Spreker heeft over de jaren 1923, 1924 en 1925 nagegaan wat voor soort menschen als lid zijn ingeschreven en daarbij is hem de onjuistheid dier cijfers gebleken. Het bestuur der betrokken organisatie verzekerde spreker, dat die menschen werkelijk de branche, waarvoor zij zich hadden opgegeven, beoefenen. Het gaat dus niet aan, dat de Wethouder door het geven van een paar voorbeelden, misschien slechte voorbeelden, die geheele groep disqualiiiceert. Volgens den Wethouder verslechtert de toestand ten aan zien van de werkloosheid niet, maar spreker heeft met cijfers aangetoond, dat van het begin 1925 tot het begin 1926 de toestand niet was verbeterd, en vraagt waar die kolossale verbetering is, waaraan Burgemeester en Wethouders willen doen gelooven. Inderdaad is sinds Februari j.l. een verbetering in den toestand ingetreden, maar kan dat een motief zijn om, terwijl zich in andere bedrijven hetzelfde verschijnsel voordoet, alleen de transportarbeiders niet meer te steunen? Overigens, het is thans het gunstigst tijdperk van het jaar; deze gunstige toestand zal zich wellicht nog eenige maanden voortzetten, maar in het najaar zal het wel weder gaan zooals verleden jaar, toen de toestand belangrijk slechter was. De Wethouder heeft nog een aantal personen genoemd, die afgevoerd zijn en niet bij het Burgerlijk Armbestuur zijn gekomen. Spreker weet, dat de meeste afgevoerde transport arbeiders zich wel tot het Burgerlijk Armbestuur gewend hebben, toen ze pas waren uitgeschakeld, voor zoover zij nog eenige kans meenden te hebben op ondersteuning, maar ze zijn afgewezen, op 2 na, waarvan hem bekend is dat zij een uitkeering van 7.50 gekregen hebben. De Wethouder zegt, dat de steunregeling voor deze menschen wel anders moet zijn dan voor andere groepen arbeiders wegens den aard van het werkde transportarbeiders hebben op het eene oogenblik werk en op het andere oogenblik niet. Dit moge in het algemeen juist zijn, maar spreker weet tal van gevallen, dat losse transportarbeiders reeds in het begin van dit jaar uitgetrokken waren, één zelfs al in het begin van Februari, en dus van allen steun verstoken. Of zij werk hebben of niet, zij worden niet meer als werkloos beschouwdzij komen zich niet aanmelden, omdat zij geen steun meer krijgen. Op die manier wordt het aantal werk- loozen, ingeschreven bij de Arbeidsbeurs kleiner, maar onder de honderden, die in genoemd geval verkeeren, zijn er ver- scheidenen, die er ellendig aan toe zijn en toch maar moeten zien hoe zij tot einde Juni met hun gezin door de wereld zullen komen. De gevallen, door den Wethouder genoemd, van een groep, welke in 5 dagen 47.— had verdiend, en van een andere groep, die ƒ58.had verdiend, terwijl die menschen boven dien 11 dagen steun hadden ontvangen, zal spreker onder zoeken. Alleen wil hij er op wijzen, dat de arbeid in kluitkalk al zeer onaangenaam en voor de gezondheid schadelijk is en daarom beter wordt betaald dan ander werk. Met den heer Knuttel is spreker van oordeel, dat deze menschen eigenlijk in de algemeene regeling dienen te worden opgenomen, maar teneinde althans iets te bereiken heeft hij het beter geacht dit punt te laten rusten en alleen vermeer dering van het aantal steundagen te moeten vragen. Voor inwilliging van dat verzoek is alleszins reden. De heer Wilbrink zegt naar aanleiding van het verwijt van den heer van Stralen, dat hij niet met cijfers werkt, maar den toestand in het algemeen beoordeelt op grond van een indruk, verkregen bij het rondgaan door de stad, dat het beter is zich te houden aan zijn eigen kijk op de dingen er; zijn eigen opvattingen, dan op cijfers, door anderen genoemd, in te gaan, omdat de heer van Stralen omtrent den stand der werkloosheid cijfers heeft naarvoren gebracht, welke elkander tegenspraken, en bovendien heeft toegegeven, dat er dit jaar voor de transportarbeiders veel meer werk was geweest dan in vorige jaren. Spreker heeft niet beweerd, dat hij menschen, die uit een zeker bedrijf zijn ontslagen en zich dan op het losse werk werpen, niet als bona fide arbeiders beschouwt, volstrekt niet, maar hij heeft wel gezegd, dat men menschen, die niet in staat waren in een ander bedrijf het werk te doen en zich dan op het losse transportwerk wierpen, op den langen duur niet kon steunen, omdat anders steeds meer menschen zouden trachten zich bij dat bedrijf aan te sluiten. Er zijn menschen, uit een ander bedrijf gekomen doch over een groot aanpassingsvermogen beschikkende, die goed het losse transportarbeiderswerk verrichten, maar anderen zijn daartoe niet in staat, en die zijn niet geschikt om in het transportarbeidersbedrijf te blijven; die moeten trachten om weder in hun eigen bedrijf werk te vinden. Het gaat niet om die menschen in het transportarbeidersbedrijf te houden en hun uit dien hoofde een uitkeering te geven. De heer Knuttel meent, dat allerlei argumenten in het geding gebracht zijn, welke niet ter zake doen, zooals b.v. het aantal personen, die als transportarbeider te boek staan doch niet voor sjouwer geschikt zijn. Spreker ziet niet in, dat, wanneer men dien menschen een anderen titel gaf, zij in mindere mate werkloos zouden zijn en minder behoefte aan uitkeering zouden hebben. Het werk, dat die menschen doen, is nog het beste te rangschikken onder het werk van transportarbeiders en ze moeten toch tot één rubr iek behooren De Wethouder zegt, dat het in het geheel om 66 personen gaat, maar daarvan zijn reeds geheel uitgetrokken van den Centralen Bond 18. Van de 66 echter schijnen 46 lid te zijn van den modernen bond, zoodat men kan zeggen, dat van de 40 er 18 geheel uitgetrokken zijn; dus wel een aanzienlijk percentage. En dat is reeds het geval op 20 Maart, toen dus het eerste halfjaar nog niet voor de helft om was! Er wordt gezegd, dat het nooit zoo druk geweest is in het transportbedrijf als tegenwoordig, maar dan spreekt het des te sterker, dat er zooveel uitgetrokken zijn. Maar zal die buitengewone drukte in het voorjaar blijvend zijn en maakt men een regeling alleen voor de maand April van dit jaar? Men moet maken een regeling voor de eerstvolgende jaren, totdat er een betere toestand zal zijn. De Wethouder zegt, dat een aantal transportarbeiders, die ingeschreven waren als werkloozen, slechts weinig dagen ge middeld werkloos waren geweest. Dit staat misschien in ver band met een vleugje grootere drukte, maar niettegenstaande dat hadden sommigen, eer zij weder werk kregen, blijkbaar zooveel werkloosheid achter den rug, dat een niet onbelangrijk aantal reeds was uitgetrokken. Spreker geeft toe, dat er zich in dit bedrijf eigenaardige dingen voordoen, welke bijzondere bepalingen noodig maken, maar men kan daarin op andere wijze voorzien, b.v. door voor te schrijven, dat dagen van werkloosheid, vallende in een week, waarin een zeker minimum loon is ontvangen, niet als werkloosheidsdagen zullen gelden. Niemand zou daartegen bezwaar hebben. In elk geval zal, waar de tegen woordige gedrukte toestand niet zal aanhouden in dit bedrijf, de bestaande regeling, welke ernstige bezwaren medebrengt, door een nieuwe moeten worden vervangen. Het praeadvies van Burgemeester en Wethouders wordt met 20 tegen 9 stemmen aangenomen. Vóór stemmen: de heeren Eerdmans, Witmans, Mulder, Meijnen, Reimeringer, Sanders, van Hamel, Wilmer, Bergers, Splinter, van Rosmalen, van der Reijden, van Tol, Sijtsma, Deumer, Zuidema, Coster, Heemskerk, Spendel en Wilbrink.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1926 | | pagina 10