hoezeer ik bekendat hij een allergeschikste pachter is. Staan wij dit toe, wie waarborgt ons dandat niet meerdere aanvragen van dien aard zullen komendie wij dan om het antecedent moeielijk kunnen weigeren. De heer Stoffels. Noch Burgemeester en Wethouders noch de Com missie van Fabricage konden de zaak beoordeelen voordat de aanvraag ge schied was. De aanvrage is eerst gedaan na de nieuwe verpachting na Nieuwejaar en kon dus niet eerder behandeld worden. En of nu die post van 700 zóó aanzienlijk is dat er verschil bestaan kan of die op 1874 of 1875 wordt geboekt, dat laat ik aan de beslissing van den Kaad over. Het voorstel van de Commissie van Financiën, om in 1875 de verbouwing te doen plaats hebben wordt aangenomen met 11 tegen 6 stemmen. i Tegen stemden: de heeren Yan Wensen, Suringar, Van Heukelom, Stoffels, De Fremery en de Voorzitter. III. Verzoek van D. Pander, om een stoep te leggen. (Zie Handd. 30 n°. 133.) Wordt overeenkomstig het voorstel van Burgemeester en Wethouders be sloten. .IV. Idem van C. A. Kuipers, om afschrijving van plaatselijke directe belasting. (Zie Handd. 30, n#. 132.) Gelijke beslissing. De heer Van Wensen verlaat de vergadering. I V. Voordracht tot overplaatsing van den hulponderwijzer C. Van der Waals. (Zie Handd, 30, n°. 135.) Gelijke beslissing. VI. Staat van af- en overschrijving op de gemeente-begrooting, dienst 1874. (Zie Handd. 30, nos. 134 en 138.) Gelijke beslissing. VII. Verzoek van mej. C. J. G. Van der Upwichom ontslag als hulp onderwijzeres van de school n°. 2 voor minvermogenden. (Zie Handd. 30, n°. 137.) Het verzoek wordt toegestaan. VIII. Idem van mej. J. M. Breunissen Troost, als onderwijzeres aan de meisjesschool 2de klasse. (Zie Handd. 30, n". 140.) Wordt mede toegestaan. IX. Bekening van het Werkhuis over 1873. (Zie Handd. 30, n°. 136.) Aangezien, bij het verlaten der vergadering door de 4 Bestuurders, de vergadering niet meer een genoegzaam aantal leden telt om besluiten te kunnen nemen, wordt dit punt aangehouden. pe heer Van Outeren. Mijnheer de Voorzitter! Voor dat gij de verga dering sluitverzoek ik nog even het woord. De Voorzitter. Ik geef het woord aan den heer Van Outeren. De heer Van Ooteren. Bij het binnentreden in deze vergadering heb ik vernomen dat er een telegram uit 's Gravenhage was ontvangen, mel dende de vrijspraak van den welbekenden Verbrugge. Ik neem aan dat dit telegram juist is en de waarheid behelst. Dit bericht heeft mijn gemoed uiterst kalm gelaten. Het heeft bij mij noch blijdschap, noch leedwezen opgewekt. Het spreekt van zelf dat ik de motiven van het arrest niet ken, daarenboven zou in geen geval beoordeeling mij passen, althans niet van deze plaats. Maar wat mij niet kalm heeft gelaten, is wat de dagbladen hebben goedgevonden mede te deelen omtrent hetgeen in de zitting van het Prov. Gerechtshof van Zuidhollandde vorige weekbij de behandeling der bedoelde zaakzou zijn voorgevallen. Naar mijne meening komen in die berichten of verslagen uitdrukkingen voor, die de Voorzitter van dat Hof onmogelijk heeft kunnen bezigen. Geen Voorzitter van eenig rechtscollege toch zal bij de openbare debatten reeds, en onder de omstandigheden die aan de orde waren verklaren dat onmogelijk het misbruikhet misdrijf of de misdaad (zoo iets staat er) had kunnen plaats hebben, indien anderen (en die anderen dat zijt gij, mijnheer de Burgemeester en uwe drie Wethouders, dat ben ik met den president der commissie en het medelidnaast mij ge zeten) niet hun 'plicht verzaakt hadden. Een magistraat zou zulks vooral niet doen in afwezigheid van hen, tegen wie zulk een enorm verwijt ge richt werd en die alzoo niet in de gelegenheid waren zich te verantwoorden. Ik heb reeds lang het koperen feest van mijn praesidium der rechtbank achter den rug, mijnheer de Voorzitter! maar zoo iets zou bij mij, noch bij eenig ander voorzitterooit zijn opgekomen. Wie zou in eene openbare terechtzitting, b. v. iemand die bestolen was, door dat hij den sleutel op zijn secretaire had laten stekentoevoegen"gij hebt uw plicht verzaakt j indien gij de kast gesloten hadt, zou thans de beklaagde niet voor ons staan?" Mijne eenige grief is dus gericht tegen de verslaggevers of inzenders van dagblad berichten, die, misschien verkeerd ingelicht, juist door de inkleeding van bedoeld artikelzij het ook onwillensmijne eer en die der door mij bedoelde leden dezer vergadering hebben aangerand. Vroeg men: waartoe moet, in dit reeds vergevorderd uur, die uitval in deze vergadering dienen? Mijnheer de Voorzitter, men zal jegens mij wel geen rechterlijke tusschen- komst inroepenopdat niemand des rechters beslissing vragen zou of op dit oogenblik de zon aan den hemel schijnt, maar het kon wezen dat deze of gene, hetzij in, hetzij buiten deze vergadering, ons verdacht van eene administratieve fout, boe gering dan ook, waardoor de gemeente schade kon geleden hebben. Was dat zoo dan wensch ik dat er door den Baad eene commissie worde benoemd, die onderzoek zal doen naar onze handelin gen daaromtrent een rapport zal uitbrengen enwanneer daarna de Baad mocht oordeelen dat werkelijk zoodanige fout in de administratie begaan was, die ons, krachtens het reglement, voor schade aansprakelijk stelde, verklaar ik niets liever te willen dan, voor mijn aandeel, de schade te vergoeden die door die fout mocht geleden worden. Het beweren o. a. in gedacht verslag voorkomende, dat in het jaar 1837 de beschuldigde geene instructie ontvangen hadis voor mij van geene de minste beteekenis. Hij, die 30 a 40 jaren beambte bij de bank is geweest, heeft gehad een algemeen verspreidin de gebouwen der bank bij meerdere exemplaren steeds aanwezig gedrukt "reglement op het bestuur en werkingen van de bank van leening" (zoo heet het)en daarbuiten bestaan geene instructiënmogen en behoeven die niet te bestaanomdat het reglement de instructie is. Dat reglement heeft Verbrugge bezworen. Maar het kan zijn dat, naar het oor deel van anderen, wij bijna veertig jaren daarna dienaangaande nog aan sprakelijk zijn geblevendoch dan mag men wel toezien, bij de aanstelling van een politie-agent, dezen het vierde boek van den Code Pénal in de hand te geven en aan den benoemden Burgemeester eene gemeentewet. Hoe het zij zijn er door ons toerekenbare fouten begaanin welk ander opzicht ook, dan verklaar ik mij bereid, mijne quote-part in het nadeel, dat daar door aan de gemeente mocht zijn toegebracht, te dragen. Ik ben voorne mens mijbinnen weinige dagenop reis te begeven en wildeal had ik mijne medeleden ten deze niet geraadpleegd, nu reeds van deze bereidver klaring doen blijken. De heer Driessen. Ik wil alleen verklaren, mijnheer de Voorzitter, dat' ik mij volkomen bij hetgeen door den heer Van Outeren gezegd is aansluit. De heer Stoffels. Ik wensch gelijke verklaring af te leggen. Van het eerste oogenblik af heb ik alles nagegaan en met de beambten gesproken. Maar juist wat de Voorzitter van het Hof schijnt gezegd te hebben is, wat de Commissie betreft, niet overeenkomstig de waarheid. Commissarissen hebben de kas van den kassier in de Bank, zoo dikwijls het noodig was, op genomen. Overigens hadden zij niets te doen. De heer Van Oüteren. Wat de heer Stoffels zegt is eene justificatie van onze handelingen. Ik wensch, en dit is juist de bedoeling van hetgeen ik gesproken heb, dat justificatiën onzerzijds, op dit oogenblik, zullen ach terwege blijven, totdat, zoo een nader onderzoek zal plaats hebben, uit dat onderzoek aanleiding misschien zou volgen om ons te verdedigen. De Voorzitter. Ik ben volkomen bereid daaromtrent een voorstel aan den Baad in te dienen. De heer Van Oüteren. Mij dunkthet ware goed u ten deze te bera den en dat onderwerp in eene volgende vergadering aan de orde te stellen. De Voorzitter. Ja, dat was mijn voornemen. Niets meer aan de orde van den dag zijnde, wordt de vergadering gesloten. 1 Te Leiden ter Boekdrukkerij van J. C. DRABBE.

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Handelingen van de Raad | 1874 | | pagina 6