door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in de jaren 1995-1997 grootschalig onderzoek uitgevoerd op een aantal percelen, zowel buiten als op het monument, die op basis van de kartering als behoudenswaardig waren aangewezen. Bij dit onderzoek werden delen van het kanaal van Corbulo blootgelegd, alsmede een deel van de Romeinse vicus. Daarnaast is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op het Hettinga-terrein, waarbij delen van de oever van het kanaal van Corbulo zijn aangetroffen.6 In 1999 en 2000 hebben de ROB, RAAP Archeologisch Adviesbureau bv en de Gemeente Leiden vier onderzoeken uitgevoerd in het gebied.7 Twee van deze onderzoeken vonden plaats op het westelijk deel van het archeologisch monuments Bij deze onderzoeken zijn sporen aangetroffen van grachten van verschillende fasen van het castellum, van enkele muren van het versteende castellum en van de oever van het kanaal van Corbulo. Bovendien zijn enkele middeleeuwse greppels aangetroffen, die hebben toebehoord aan het kloostercomplex van het St. Margarethaconvent.9 Het derde onderzoek betrof een booronderzoek op het gehele monument, uitgevoerd door de ROB (1999). Dat onderzoek vond plaats ten behoeve van de inrichting van het monument. Door de dikte van de bouvwoor te bepalen (circa 30 a 50 cm) konden beschermende maatregelen worden vastgesteld voor de herinrichting van het monument. Ten westen van het monument hebben de ROB en de Gemeente Leiden een noodonderzoek uitgevoerd (2000), waarbij sporen van de buitenranden van de vicus zijn aangetroffen. Bovendien is een deel van het verkavelingsysteem van het St. Margarethaconvent gevonden. In 2003 is in opdracht van de Gemeente Leiden door RAAP Archeologisch Adviesbureau bv een aanvullende kartering uitgevoerd op percelen die in de jaren '90 niet toegankelijk en/ of niet volledig onderzocht waren. 10 Hierbij zijn twee vindplaatsen aangetroffen, die voorheen niet bekend waren. Aansluitend is in 2003 door de gemeente op vier plaatsen in het gebied archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek vond plaats op de in 2003 door RAAP aangetroffen vindplaatsen en op terreinen die in ruimtelijke zin aansloten op de opgraving van 1995-1997. Bij dit onderzoek werden delen van de Romeinse vicus opgegraven en een deel van een gebouwencomplex dat toebehoorde aan het St. Margarethaconvent. Daarnaast heeft archeologische begeleiding plaatsgevonden bij een milieukundig booronderzoek op het Hettinga-terrein. 11 In 2004 is een kabel- en leidingensleuf op het Hettinga-terrein archeologisch onderzocht, direct ten westen van de huidige onderzoekslocatie.1? Voor de inkadering van de huidige begeleiding is gebruik gemaakt van de gegevens van de eerdere opgravingen. Deze informatie bevindt zich zowel bij de ROB (documentatie tot 2003) als bij het Provinciaal Depot van de Provincie Zuid-Holland (vondstmateriaal tot 2003) en het Archeologisch Centrum Gemeente Leiden (documentatie en vondstmateriaal vanaf 2003). 6 Hazenberg 2000. i Polak et al. 2004. 8 Het betreft hier het geofysisch onderzoek door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. (1999) en een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) door de ROB (1999). 9 Naast Romeinse overblijfselen zijn ook restanten van het laatmiddeleeuwse St. Margarethaklooster en zijn bijgebouwen in de Roomburgerpolder aanwezig. Aangezien tijdens dit onderzoek vrijwel geen middeleeuwse sporen en vondsten zijn aangetroffen, wordt het middeleeuwse aspect in dit rapport buiten beschouwing gelaten. 10 Deunhouwer 2003. 11 Brandenburgh 2006. 12 Brandenburgh Van Domburg 2008. 8

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2008 | | pagina 10