Botmateriaal van de opgraving Roomburg 2004 fase 1 F.W. Schnitger 1. Materiaal en methoden Het behandelde botmateriaal is afkomstig van de opgraving Leiden Roomburg 2004 werkputten 1 t/m 11met een datering 1 e-3e eeuw n. Chr. Het vondstcomplex behoort tot de vicus van castellum Matilo. Het betreft voornamelijk handverzameld materiaal dat gewassen, gedroogd en genummerd is aangeleverd. De kwaliteit van het bot is redelijk tot goed. Het materiaal is zoveel mogelijk tot op soort gedetermineerd. Waar het vaststellen van de soort niet mogelijk was, is in ieder geval een uitspraak gedaan over de klasse (zoogdier, vogel, vis) en zo mogelijk over de relatieve grootte (klein, middel, groot). Al het materiaal is geteld en per fragment gewogen. Het gaat hierbij zowel om de individuele fragmenten als om het aantal resulterende stukken na samenvoeging van fragmenten die overduidelijk1 of hoogstwaarschijnlijk2 afkomstig zijn van één element.3 Van de gebitselementen (zowel losse tanden en kiezen, als gebitselementen in situ) is de aanwezigheid dan wel aantoonbare afwezigheid (lege alveolen) en de mate van slijtage vastgelegd. Elk gebitselement is vertegenwoordigd met één record. Losse tanden en kiezen zijn vermeld onder de naam van het dragende skeletelement (mandibula of maxilla). Alleen tanden en kiezen waarvan het dragende element niet kon worden bepaald zijn als "dentes" vermeld. Uitspraken over de gebitsleeftijden zijn gebaseerd op Silver4 en Matschke.s De epifysiaire vergroeiingsstadia van de onderzochte elementen zijn vastgelegd in de database.6 Uitspraken over vergroeiingsleeftijden zijn gebaseerd op Silver.2 Waar mogelijk zijn de relevante afmetingen van de fragmenten met vergroeide en vergroeiende gewrichtsuiteinden vastgelegd. Het betreft voornamelijk maten van volgroeide pijpbeenderen. De maten zijn genomen volgens Von den Driesch.8 Botten die in aantoonbare of vermoedelijk samenhang zijn aangetroffen (partiele skeletten, partiële ledematen) zijn apart geregistreerd maar wel als afkomstig van één associatie gemarkeerd. 2. Resultaten Tabel 1. Tot op soort gedetermineerd materiaal vs niet nader gedetermineerd materiaal. 2.1 Aantallen en gewichten In totaal zijn 322 botten geteld met een totaal gewicht van 9,5 kg. Ze zijn toegewezen aan 53 aparte vondstnummers. In aantallen kon bijna driekwart tot op soort worden gedetermineerd, in gewicht meer dan 93 procent. 1 Het betreft aan elkaar passende breukvlakken. 2 Het betreft verschillende, complementaire stukken van een zelfde element in één vondstnummer. 3 Het gaat hierbij om het aantal vs. het samengesteld aantal. 4 Silver 1969. 5 Matschke 1967. 6 Tabel 3, epifysiaire vergroeiingen. Silver 1969. 8 Von den Driesch 1976. gedetermineerd totaal gewicht totaal aantal gewicht aantal ja 8987.4 231 93.6 71.3 nee 609.5 91 6.1 6.7 9596.9 322 100 100 2.2 Bewerkingssporen Ongeveer 13 procent van de fragmenten vertoont bijzondere verschijnselen in de vorm van bewerkingssporen of pathologieën of aan pathologie gerelateerde fenomenen. Hoewel het aannemelijk is dat het grootste deel van het materiaal intentioneel is gefragmenteerd is maar op iets meer dan 10% van het materiaal sprake van aantoonbare haksporen. 45

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 47