Wat betreft de datering kunnen geen grote verschillen tussen de drie zones worden onderscheiden. De periode waarin het aardewerk in het kanaal is terechtgekomen is langer dan die waarin het materiaal op de oever is beland. De minst lange periode van aardewerkdepositie lijkt in de vicus te zijn geweest. In de vicus wordt weinig derde eeuws materiaal aangetroffen, op de oeverzone iets meer, en in het kanaal veel meer. Dit duidt erop dat het kanaal het langste heeft opengelegen, terwijl de bewoning al weggetrokken was. 4. Samenvatting en dankwoord Het Romeinse aardewerk van de opgraving 04RMB-fase 1 is in dit rapport beschreven. Bij de opgraving zijn delen van de Romeinse vicus, het kanaal van Corbulo en haar oever aan het licht gekomen. In totaal betreft het 2384 scherven, minimaal 2024 exemplaren en ruim 75 kilo. Het aangetroffen aardewerkspectrum is overeenkomstig dat van vergelijkbare vici. 92% Betreft Romeins importaardewerk, het overige percentage betreft handgevormd aardewerk. De indeling in functiecategorieën is eveneens naar verwachting: de verdeling over de categorieën tafelaardewerk, transportaardewerk en keukenaardewerk is ongeveer gelijk. De algemene datering van de vindplaats kan worden gesteld in de tweede eeuw, hoewel (op kleinere schaal) in de derde eeuw nog bewoning heeft plaatsgevonden. Wanneer het aardewerk afkomstig uit de vicus, de oever en het kanaal met elkaar wordt vergeleken, kan een klein aantal aspecten worden genoemd. Het transportaardewerk (voornamelijk veroorzaakt door het dikwandige aardewerk) is op de oever in de overhand. In het kanaal en de vicus is relatief weinig transportaardewerk aangetroffen (respectievelijk 8 en 13 tegen 65% op de oever). Dit kan deels worden verklaard door de aanwezigheid van 93 fragmenten die tot één exemplaar behoren en het percentage omhoog halen. Het dikke aardewerk kan tevens zijn gebruikt om eventuele vernatting bij de oevers tegen te gaan, of om de oeverzijden te verstevigen. Daarnaast zal de oever een uitstekende plaats zijn geweest om het overtollige afval buiten de vicus te storten. Betreffende de datering kan slechts een kleine discrepantie tussen de drie zones worden opgemerkt: hoewel bij allen de nadruk in de tweede eeuw valt en de bewoning overal rond 70 lijkt te beginnen, is de doorlooptijd waarbinnen het vondstmateriaal op de plaats is terechtgekomen verschillend. Barbara Gumbert is dank verschuldigd voor het verschaffen van nuttige informatie omtrent de onderzoeksgeschiedenis van de vindplaats en de werkwijze binnen het Leids Archeologisch Centrum. De vrijwilligers dank ik voor al het werk wat reeds in de vondstverwerking is gestoken. Joep Hendriks dank ik voor de discussie betreffende enkele 'aardewerkraadsels'. Tenslotte dank ik Coriene Wiepking voor haar erg nuttige commentaar. Literatuurlijst Bekkering, M. e.a., 2000: Een erf in de vicus van Matilo (ongepubliceerde materiaalscriptie Universiteit van Amsterdam). Bloemers, J.H.F. H. Sarfatij, 1976: A Roman settlement at De Woerd, Valkenburg (South Holland). Report I: The Potters' Stamps, in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 26, 133-161 Bloemers, J.H.F., 1978: Rijswijk (Z.H.) 'De Bult', eine Siedlung der Cananefaten, Amersfoort (Nederlandse Oudheden 8). Blomsma, S. M. Brouwer 1989: Syllabus voor het determineren van Romeins aardewerk (gevonden in Zuid-Holland), Leiden. 35

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 37