3. Onderzoeksresultaten De meeste sporen en vondsten die zijn aangetroffen dateren uit de Romeinse tijd. Deze bewoningssporen zijn goed geconserveerd. Uit jongere perioden zijn zeer weinig vondsten gedaan. Er is, naast bouwmateriaal, slechts een drietal (post-)middeleeuwse aardewerkscherven aangetroffen. Daar op basis van eerder uitgevoerd onderzoek naast Romeinse ook vroeg- en laat-middeleeuwse bewoningssporen werden verwacht, kan worden aangenomen dat deze bewoningssporen ofwel niet aanwezig zijn geweest, ofwel door verstoringen zijn verdwenen. De meest logische verklaring is dat de sporen na de Romeinse tijd zijn verstoord doordat ze vlak onder het oppervlak hebben gelegen. De Romeinse sporen lagen vlak onder de bouwvoor op een diepte van ca. 60 cm - maaiveld. 3.1 Sporen Het onderzoek heeft slechts in beperkte mate inzicht verschaft in de aanwezige archeologische resten. De belangrijkste oorzaak hiervan is de minimale omvang van de opgravingsput. Een breedte van 1.20 m is in veel gevallen niet voldoende om overzicht te verkrijgen van structuren. In de sleuf zijn bovendien weinig sporen aan het licht gekomen. Desondanks kunnen drie verschillende aspecten binnen deze opgraving worden Afb. 3. De ligging van het kanaal van onderscheiden: het kanaal van Corbulo, haar oever en de vicus (zie afb.3). Corbulo, de oeverzone en de vicus. «- N 3.1.1 Kanaal van Corbulo Het kanaal van Corbulo had over het algemeen een breedte van circa 40 m en een diepte van plaatselijk 6 m. Het leger zorgde voor de toegankelijkheid en het onderhoud. De oevers van het kanaal waren op sommige plaatsen voorzien van beschoeiingen, die na enkele decennia werden vernieuwd. Het kanaal heeft niet alleen als waterweg en haven, maar ook als afvaldepot gediend voor materiaal uit het castellum en de vicus.14 Tijdens het onderzoek is circa 8 m van de breedte van het kanaal aangetroffen. Vier palenrijen konden evenwijdig aan de oever worden getraceerd. Mogelijk representeren deze vier palenrijen vier opeenvolgende fasen van de beschoeiing van het kanaal van Corbulo. Aangezien de werkput slechts tot 1,3 m diepte is aangelegd, konden deze palenrijen niet nader worden onderzocht. In het profiel van de gracht kunnen eveneens minimaal vier lagen worden onderscheiden, die mogelijk op verschillende fasen duiden. Een exacte datering van deze lagen kan niet worden gegeven, daar de vondsten die uit de lagen afkomstig zijn een Afb.4. Werkput 1 vlak 4. N 14 Hazenberg 2000, 48. 12

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 14