Het meetsysteem was opgebouwd uit een aantal vaste punten. Deze hoofdmeetpunten zijn ingemeten t.o.v. het Rijksdriehoekstelsel door de gemeente Leiden, Dienst Bouwen en Wonen, Het ontwikkelingsbedrijf, Vastgoed Informatie Centrum. De sleuf is verdiept tot maximaal 1.30 m -f NAP. Dit is 20 cm onder de beoogde ligging van de kabels en leidingen. Op deze wijze kon een deklaag van 20 cm tussen de dieper gelegen archeologische resten en de kabels en leidingen worden aangebracht. Nadat de bouwvoor (circa de bovenste 50 cm) machinaal laagsgewijs was verwijderd, is om de 20 cm een vlak aangelegd. Dit betekent dat maximaal 5 vlakken zijn aangelegd. In de meeste gevallen zijn 4 vlakken per werkput aangelegd. Het couperen van de sporen vond op ieder vlak plaats, tot een diepte van 20 cm (het niveau van het volgende vlak). In de praktijk is echter vrijwel niet gecoupeerd, omdat de meeste 'sporen' dagzomende lagen waren, die haaks op de put lagen en dus in het profiel zichtbaar waren. Van alle werkputten zijn de vlakken getekend en gefotografeerd, indien er relevante sporen aanwezig waren. Vondsten zijn verzameld bij de aanleg van het vlak en het profiel en tijdens het zetten van de coupes. Elk vlak is tijdens en na de aanleg met de metaaldetector onderzocht en van ieder vlak zijn hoogtematen genomen. Voor het geografisch begrip en de kennis van de vindplaats volstond het documenteren van het noordprofiel (m.u.v. werkput 7, waar het noordwestprofiel is getekend). Een aantal bodemmonsters is genomen uit sporen die op het derde vlak nog zichtbaar waren. Bovendien zijn sporen met een zwarte houtskoolvulling en sporen waar macroresten in zichtbaar waren bemonsterd. In totaal zijn vijf monsters genomen. Besloten is ze niet te onderzoeken, omdat tijdens de opgraving van het kanaal van Corbulo in 1995-1997 veel monsters uit een identieke context zijn genomen en geanalyseerd. Het onderzoek is in eigen beheer van de gemeente Leiden uitgevoerd. Het opgravingsteam bestond uit drs. C.R. Brandenburgh (projectleider), B.M. Gumbert (dagelijkse veldleiding) en C. van Hees (veldtechnicus). Gedurende de opgraving is bodemkundig onderzoek uitgevoerd door drs. R. Schrijvers (Vestigia bv). Het archeologisch onderzoek vond plaats in de periode 28 juni t/m 12 juli 2004. 11

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 13