2. Onderzoekskader, doelstellingen en methoden van onderzoek 2.1 Verwachtingen t.a.v. inhoudelijke en fysieke kwaliteiten van de vindplaats 2.1.1 Verwachtingen t.a.v. de aard en datering van de archeologische resten Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek werden bewoningssporen verwacht uit achtereenvolgens de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen en de late middeleeuwen nieuwe tijd. Een aantal specifieke archeologische resten werd in het onderzoeksgebied verwacht: Nederzettingssporen (bijvoorbeeld huisplattegronden, bijgebouwen, greppels, waterputten en afvalkuilen) behorende bij de Romeinse vicus. Het kanaal van Corbulo dat plaatselijk beschoeid kan zijn. Sporen van ontginningsactiviteiten en kleiwinning uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. 2.7.2 Verwachtingen t.a.v. de conservering van sporen en vondsten Op basis van het eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek was de verwachting dat de bewaringscondities van het archeologische bodemarchief goed en plaatselijk zelfs zeer goed zouden zijn. Uit het proefsleuvenonderzoek van de ROB op het Hettinga-terrein in de periode 1995-1997 is gebleken dat de archeologische waarde hoger is dan voordien verwacht en dat bijzonder rijke vondsten verwacht mochten worden. 12 Reden hiervoor ligt in de aanwezigheid van het kanaal van Corbulo en de goede conserveringsomstandigheden hierin. Op meerdere plaatsen is de bodem door (sub-) recente vergravingen verstoord. De dikte van de verstoorde bovengrond varieert van 30 tot 70 cm. Deze variërende dikte van de bovenlaag zou plaatselijk gevolgen kunnen hebben gehad voor de conservering van de bewonings sporen. Op plaatsen met een dunne bouwvoor zou een deel van de ondiepe sporen verloren kunnen zijn gegaan. 2.2 Doelstellingen De doelstellingen zijn opgesteld aan de hand van reeds bekende gegevens en verwachtingen over de bewaringsconditie van de bewoningssporen en vondsten en de aard van de vindplaats. Doordat reeds veel gegevens over de bewoningsgeschiedenis van de Roomburgerpolder bekend zijn en het onderhavige onderzoek zeer kleinschalig is, zijn specifieke doelstellingen opgesteld: 1Het verkrijgen van inzicht in de ligging van de zuidelijke oever van het kanaal van Corbulo. 2. Kennis verwerven omtrent de mate van beschoeiing en de datering van het kanaal van Corbulo ter plaatse van de onderzoekslocatie. Aangenomen wordt dat het kanaal en de beschoeiing nabij het castellum een ander uiterlijk hebben gekend dan verder van het castellum verwijderd. 13 3. Inzicht verkrijgen in de aard, datering, conditie en complexiteit van de nederzettingssporen op de zuidelijke oever van het kanaal van Corbulo. Daarbij gaat het met name om sporen van de rondom het castellum liggende Romeinse vicus. 4. Het opstellen van een waardestelling van het terrein. 2.3 Methoden van onderzoek Daar het bodemarchief ter plaatse zeer waardevol is, is de gehele kabel- en leidingensleuf onderzocht. De totale lengte van de sleuf bedroeg circa 55 m. De breedte is vastgesteld overeenkomstig de afmetingen van de bak van de graafmachine en bedroeg 1.20 m. Omwille van de praktische uitvoering is besloten de sleuf niet in één keer op te graven, maar het geheel onder te verdelen in 11 werkputten van 5 m lang (de reikwijdte van de machine). De sleuf had een oriëntatie van noord naar zuid en lag haaks op de loop van het kanaal van Corbulo. Een uitzondering vormde werkput 7, die haaks op de overige werkputten is aangelegd (afb.2). 12 Hazenberg 2000, 57. '3 Hazenberg 2000, 18 34. 10

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 12