ondergrond voor bewoning in de Romeinse tijd. In de middeleeuwen zijn deze resten afgedekt door een nieuwe overstromingsperiode. Deze afzettingen waren echter van kleinere omvang. Dit werd veroorzaakt door een steeds lagere overstromingsfrequentie als gevolg van de geleidelijke ontwikkeling naar een meer gesloten kust, de relatief hoge ligging van het gebied tegen de Rijnoever en de afname van de invloed van de Rijnoever zelf.2 Het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied kan in geomorfologisch opzicht worden omschreven als een rivier-inversierug. Dit zijn zandige rivierafzettingen die door oxidatie en inklinking van het omringende veen relatief hoger zijn komen te liggen. Hierdoor zijn deze plaatsen geschikt geworden voor bewoning. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied bevindt zich een natuurlijke waterloop, die de basis vormde voor het kanaal van Corbulo. 2 Berendsen 1997, 169; Deunhouwer 2003, 12. 3 Hazenberg 2000, 10-16. i Oude Rengerink 1994. 5 Het terrein waar het castellum Matilo, een deel van de bijbehorende vicus en een deel van het Kanaal van Corbulo zijn gesitueerd, is een wettelijk beschermd monument (Monumentnummer 45576, CMA- nummer 30F-1 en ROB- objectcode (CAA) 30F-79N). 6 Hazenberg 2000. 7 Polak et al. 2005. 8 Het betreft hier het geofysisch onderzoek door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. (1999) en een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) door de ROB (1999). 8 Naast Romeinse overblijfselen zijn ook restanten van het laat middeleeuwse St. Margarethaklooster en zijn bijgebouwen in de Roomburgerpolder aanwezig. Daar bij dit onderzoek vrijwel geen middeleeuwse sporen en vondsten zijn aangetroffen, wordt het middeleeuwse aspect in dit rapport buiten beschouwing gelaten. Deunhouwer 2003. 11 Brandenburgh 2006. 1.3 Vooronderzoek In de nabijheid van het onderzoeksgebied is in het verleden veelvuldig archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek concentreerde zich op de directe omgeving van het Romeinse castellum Matilo. Ook werden bewoningssporen aangetroffen uit de vroege en late middeleeuwen. Een uitgebreid overzicht van het onderzoek tot 1994 is beschreven door Hazenberg.3 Voorafgaand aan de geplande bouwwerkzaamheden in de Roomburgerpolder is in 1994 in opdracht van de gemeente Leiden door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologische kartering uitgevoerd van het te ontwikkelen terrein.4 Aansluitend hieraan is door de ROB in de jaren 1995-1997 grootschalig onderzoek uitgevoerd op een aantal percelen, zowel buiten als op het monument5, die op basis van de kartering als behoudenswaardig waren aangewezen. Bij dit onderzoek werden delen van het kanaal van Corbulo blootgelegd, alsmede een deel van de Romeinse vicus. Tevens heeft proef- sleuvenonderzoek plaatsgevonden op het Hettinga-terrein, waarbij delen van de oever van het kanaal van Corbulo zijn aangetroffen.5 In 1999 en 2000 is door de ROB, RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. en de gemeente Leiden een viertal onderzoeken uitgevoerd in het gebied.7 Twee van deze onderzoeken vonden plaats op het westelijk deel van het archeologisch monument.5 Bij deze onderzoeken zijn sporen aangetroffen van grachten van verschillende fasen van het castellum, van enkele muren van het versteende castellum en van de oever van het kanaal van Corbulo. Bovendien zijn enkele middeleeuwse greppels aangetroffen die hebben toebehoord aan het kloostercomplex van het St. Margarethaconvent.9 Het derde onderzoek betrof een booronderzoek op het gehele monument, uitgevoerd door de ROB (1999). Dat onderzoek vond plaats ten behoeve van de inrichting van het monument. Door de dikte van de bouwvoor te bepalen (circa 30 a 50 cm) konden beschermende maatregelen worden vastgesteld ten behoeve van de herinrichting van het monument. Het laatste onderzoek vond ten westen van het monument plaats. De ROB en de gemeente Leiden hebben een noodonderzoek uitgevoerd (2000), waarbij sporen van de buitenranden van de vicus zijn aangetroffen. Bovendien is een deel van het verkavelingsysteem van het St. Margarethaconvent gevonden. In 2003 is in opdracht van de gemeente Leiden door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een aanvullende kartering uitgevoerd op percelen die in de jaren '90 niet toegankelijk waren en of niet volledig onderzocht waren.10 Hierbij is een tweetal vindplaatsen aangetroffen die voorheen niet bekend waren. Aansluitend is in 2003 door de gemeente op een viertal plaatsen in het gebied archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek vond plaats op de in 2003 door RAAP aangetroffen vindplaatsen en op terreinen die in ruimtelijke zin aansloten op de opgraving van 1995-1997. Bij dit onderzoek werden delen van de Romeinse vicus opgegraven en een deel van een gebouwencomplex behorende bij het St. Margaretha convent. Daarnaast heeft archeologische begeleiding plaatsgevonden bij een milieukundig booronderzoek op het Hettinga-terrein.11 Voor de inkadering van de huidige opgraving is gebruik gemaakt van de gegevens van de eerdere opgravingen. Deze informatie bevindt zich zowel bij de ROB (documentatie tot 2003) als in het Provinciaal Depot van de Provincie Zuid-Holland (vondstmateriaal tot 2003) en het Archeologisch Centrum van de gemeente Leiden (documentatie en vondstmateriaal vanaf 2003). 9

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 2004 | | pagina 11