Functie en voorstelling ken iets krimpt. Men kan dus spreken van serieproduktie: van eenzelfde type beeldje kon een groot aantal exemplaren bestaan, zij het ook met kleine onderlinge maatverschillen. Of de beeldjes afkomstig zijn uit pottebakkersateliers, waar zij door de pottebakker tegelij kertijd met het aardewerken kook- en eetgerei gemaakt werden, of dat hun produktie af zonderlijk in eigen ateliers plaatsvond, is niet bekend. Wel heeft men uit archiefstukken op kunnen maken, dat het ambacht van "heiligenbacker" reeds vanaf het begin van de 15de eeuw officieel geregistreerd stond. Dit zou erop kunnen wijzen, dat er werkplaatsen of ateliers bestaan hebben, waar de "heiligenbacker" zelfstandig zijn ambacht uitoefende. Een vondst in het centrum van Keulen in 1986, waarbij een oven met afval bestaande uit een grote hoeveelheid pijpaarden beeldjes aangetroffen werd, doet hetzelfde vermoe den (3). Wat betreft stijl en produktiecentrum is het moeilijk om hierin duidelijke verbanden te on derscheiden. Het kleine formaat van de beeldjes, die eenvoudig mee te nemen en gemak kelijk verhandelbaar waren, droeg bij tot verspreiding en wederzijdse beïnvloeding van stijlmotieven. Tevens geldt het feit dat van elke afdruk weer een mal gemaakt kon worden, zodat het zelfde type beeldje op verschillende plaatsen ontstaan kan zijn. Vaak gaat men ervan uit, dat Utrecht een centrale rol speelde in de verspreiding van stijlmotieven. Hier zouden gedurende de 15de eeuw verscheidene ateliers in grote getale pijpaarden beeldjes gepro duceerd hebben, alle met typische "Utrechtse" stilistische kenmerken. Houding, plooival, gezichtsuitdrukking e.d. behoorden tot de z.g. "Utrechtse School" en zouden door andere produktiecentra overgenomen zijn. Toch was Utrecht niet de enige produktieplaats. Gezien het grote aantal vondsten op verscheidene plaatsen in Nederland (o.a. Den Bosch en Deventer) zullen er in andere plaatsen en gebieden ook ateliers bestaan hebben waar pijpaarden beeldjes gemaakt wer den. Deze ateliers maakten een eigen stijlontwikkeling door, die wel beïnvloed werd door de Utrechtse School, maar die daarnaast ook een eigen karakter toonden met locale en regionale varianten. Daarbij zou men kunnen stellen, dat de "grote" beeldhouwkunst, wier ontwikkeling gesti muleerd werd door de bouw van verscheidene kerken (voor Utrecht waren dat o.a. de Dom en de Mariakerk) als inspiratiebron voor de kleine beeldhouwkunst van pijpaarde fungeerde. Wat in het groot in steen en hout werd uitgebeeld vond zijn navolging in het klein in pijpaarde. Pijpaarden beeldjes en reliëfs hadden een religieuze functie en waren voor dagelijks en huiselijk gebruik. Het waren kleine devotie-objecten, die men opborg in een doosje of kastje, of die op een sokkeltje tegen de muur werden gehangen. Voor de zeer kleine exemplaren geldt dat ze ook als talisman op zak meegedragen konden worden. Ze werden dus niet gebruikt in de kerk maar hadden een plaats in de eigen persoonlijke geloofsbeleving. Vandaar dat men vaak het aspect "volkse-devotie" aan deze pijpaarden beeldjes hecht (4). in de 15de eeuw ontstond er een tendens naar een meer individuele geloofsbeleving, zowel onder leken als onder geestelijken. In deze tijd werd ook de Bijbel in de volkstaal vertaald, zodat de stichtelijke lectuur voor de gelovige mens toegankelijk werd. Er was eveneens een hernieuwde belangstelling voor het kloosterleven en er werden tal van nieu we kloosters, broeder- en zusterhuizen gesticht (5). Mede onder invloed van deze ontwikkelingen steeg de vraag naar heiligenbeeldjes. Aangezien pijpaarde een goedkope materiaalsoort was konden ook de gewone gelovigen zich de aanschaf van een heiligenbeeldje permitteren. Vaak trof men in rijkere milieu's ivoren tweeluikjes aan, die uit Frankrijk geïmporteerd waren. Deze ivoren beeldjes waren te kostbaar voor de gemiddelde burger. Pijpaarde zou men dus als een goedkope vervanging van de ivoorsculptuur kunnen beschouwen (6). De verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament vormden de belangrijkste inspiratiebron voor de "heiligenbackers". Gezien de vele vondsten van Maria met kind, Barbara, Catharina en het Christuskind moeten deze beeldjes het meest populair geweest zijn. Andere bijbelse figuren, zoals Maria Magdalena, Margaretha en de apostelen komen ook voor, maar min- 64

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 66