Conclusies Van de overige opgegraven voorwerpen is weinig vermeldenswaard. Wel moet nog worden gewezen op een aantal aardewerkvondsten uit 1975 (12). Het betreft 7 fragmenten en 2 complete voorraadpotten van rood aardewerk en 1 fragment en 1 complete kan van steengoed met grijsbruin zoutglazuur uit Langerwehe. Het steengoed is voorzien van een radstempel, heeft een spitse randvorm en wordt gedateerd in de late 14de tot midden 15de eeuw (13). De beide complete rode voorraadpotten staan op lobvoeten en dateren vermoedelijk uit dezelfde periode. Helaas is van de vondsten uit 1975 de exacte vindplaats niet gedocumenteerd. In 1988 zijn in secundaire context nog drie potscherven gevonden van het Langerwehe steengoed. Zowel in 1973-75 als in 1988 is geen enkele scherf Sieg- burg steengoed gevonden, een materiaal dat tussen omstreeks 1300 en 1450 in de ge- bruikskeramiek overheerste. Dit gegeven, gecombineerd met het gevonden Langerwehe steengoed en de rood aardewerken vormen, doet een datering voor de vroegste bewoning van het terrein veronderstellen omstreeks het tweede of derde kwart van de 15de eeuw. Het archeologisch bodemonderzoek naar het huis Coebel heeft de funderingen aan het licht gebracht van een rechthoekig gebouw met omgrachting. De belangrijkste vraag die nu moet worden beantwoord is, of de opgegraven resten inderdaad van het huis Coebel zijn. Het antwoord op deze vraag wordt geleverd door toetsing daarvan aan drie 16de-eeuwse kaarten van de hand van resp. Pieter Sluyter (1550), Jacob van Deventer (1565) en Joost Jansz. Bilhamer (1573). Op de twee eerstgenoemde kaarten is het Huis verscholen tussen bomen en steekt slechts een onduidelijk dak hierboven uit (afb. 7). Ten noordwesten hiervan staat een ronde toren met een hoog spits dak. Van deze toren is niets teruggevonden hetgeen kan worden verklaard doordat hij noordelijk van het huis stond en de eventuele resten opgeruimd kunnen zijn bij de aanleg van de Waddingerschans. Ten westen van het Huis is een een voudiger klein huis getekend. Dit is niet omgracht en lijkt ook veel eenvoudiger dan het opgegraven bakstenen bouwwerk. De schets suggereert een gevel met een stiepelteken, hetgeen op een houten constructie wijst. Van zo'n gebouw is in het opgravingsterrein niets teruggevonden. De verklaring zal zijn, dat het dermate ondiep gefundeerd was dat de overblijfselen zijn opgeruimd toen de bovenlaag van het terrein werd afgegraven. De bo venste 50 cm van het hele terrein is immers een 18de- of 19de-eeuws zandpakket. Het hoofdgebouw is duidelijk zichtbaar op de tekening van Bilhamer, die middenin een groot vierkant perceel een gebouw met verdiepingen toont. Het kleine huis aan de west kant ervan ontbreekt. Het hoofdgebouw tekent hij als drie asymmetrisch samengevoegde bouwelementen, elk met een eigen dak, op een rechthoekig grondplan. Het middendeel heeft een tentdak, het rechterdeel een zadeldak en van het linkerdeel is het dak niet goed te zien. Deze schets kan men om drie redenen relateren aan de opgegraven funderingen. Ten eerste heeft het getekende pand een rechthoekige plattegrond met ongeveer dezelfde noord-zuid oriëntatie als de opgegraven resten. Met enige goede wii zou men zelfs in een krabbeltje aan de rechterkant de houten brug aan de zuidkant kunnen zien. Ten tweede kan het geschetste linkerdeel overeenkomen met de opgegraven herbouw van het noorddeel uit de 3de bouwfase (spoor 4d). Het onderscheid in het midden- en rechter deel is in de opgravingsplattegrond niet aan te wijzen maar de funderingen zijn hier dan ook deels weggebroken. Wel kan ook voor het zuiddeel een ingrijpende verbouwing of herbouw in de 3de bouwfase worden verondersteld aan de hand van het puin in de gracht, zoals hierboven is betoogd. Naar de juiste toedracht kan men slechts gissen maar wellicht bestond de bovenbouw in de 2de bouwfase reeds uit een hoger middenstuk? Het merkwaardige dwarsfundament (4c) binnen tegen de oostgevel zou dan op een of andere wijze verband kunnen houden met dit hogere middenstuk. Ten derde vertegenwoordigt de opgegraven fundering een gebouw met een hogere status dan een gewone boerderij. Grachten van 5 m breed zijn uit deze tijd alleen bekend van ridderhofsteden en omgeven dan telkens het hoofdgebouw (14). De gevonden glas-in-lood fragmenten en het stuk kacheloventegel duiden op een zekere luxe afwerking van het Huis. De potscherven tussen het puin in de gracht laten zich goed rijmen met de sloopdatum van de Coebel in 1573. Voor de stichting van het Huis zijn argumenten voor een datum omstreeks het tweede of derde kwart van de 15de eeuw aan te dragen. Het Huis kan het best worden getypeerd als een buitenverblijf zoals er in die tijd door rijke stedelingen vele zijn gesticht (15). 48

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 50