In de noord-oosthoek van het perceel werden baksteenfunderingen en een met puin gedempte gracht doorsneden, die reeds door de A.W.N. waren gelokaliseerd (spoor 3). Naderhand bleken het de enige funderingen in het hele perceel te zijn. Het hele zuiddeel van het terrein bleek tot op 1,50 m diepte onder het maaiveld te zijn afgegraven en met allerlei klei- en zandlagen aangevuld (spoor 5). Hierdoor zijn alle grondsporen in dit zuiddeel verloren. De afgraving houdt mogelijk verband met kleiwinning voor steenbakkerijen, die hier vanaf de Middeleeuwen gevestigd waren. De bovengrond van het gehele terrein bestaat uit circa 50 cm dik vrijwel schoon opgebracht zand, dat enkele 18de- of 19de-eeuwse potscherven bevatte (spoor 7). Een oud maaiveld onder dit zand ontbreekt, zodat er voorafgaand aan deze opho ging grond of grasplaggen moeten zijn afgestoken. Hierbij kunnen eventuele opdiepe grondsporen in de noordhelft van het perceel, niet getroffen door afgraving zoals het zuiddeel, alsnog zijn opgeruimd. In het noordelijke niet zo diep afgegraven stuk terrein werden in de noord-westhoek diverse diepe rechthoekige kuilen ontdekt, die waren gedempt met puin van zeer zacht gebakken bakstenen of met zandige klei (sporen 2). Deze kuilen waren precies even diep als een 50 cm dikke, zeer zware kleilaag (tussen 0,70 m en 1,20 m onder N.A.P.). Het baksteenpuin was niet voor metselwerk gebruikt want het was niet voor zien van mortel. De beste verklaring is, dat het putten voor kleiwinning ten behoeve van baksteenproduktie betreft, die zijn gedempt met misbaksels en met onbruikbare zandige grond van de bovenlaag. De grote steenmaten van het puin wijzen op 13de- of 14de-eeuwse dateringen: de A.W.N. vond stenen van 34x16x8,8 en 31x14x7,5/8,5 cm, in 1988 werden stenen van ,.x14/14,5x7/7,5 cm gevonden (7). De stenen voldoen niet aan de gebruikelijke maatverhoudingen lengte:breedte:hoogte: - 4:2:1 - wellicht was dit de produktiefout waarvoor ze zijn weggeworpen. Verder zaten er tussen het puin tegelfragmenten, ongeglazuurd en 2,5 cm dik. Aan de zuidkant van het terrein bevonden zich twee gedempte sloten, één in zuid- oost-noordwest richting en één in oost-west richting (sporen 1a en 1b) die ouder waren dan de klei-afgraving. De eerstgenoemde heeft vreemd genoeg een andere richting dan de huidige kavelrichtingen. In deze sloot werden enkele 15de-eeuwse potscherven gevonden. De klei-afgraving is dus in de 15de eeuw of later verricht. Aan de westkant van het terrein werd een 5 meter brede en vanaf het maaiveld 2 meter diepe noord-zuid lopende sloot gevonden die was volgestort met grof puin waarin veel potscherven uit de late 16de of de eerste helft van de 17de eeuw wer den aangetroffen (spoor 6). Deze sloot doorsnijdt de klei-afgraving van de zuidhelft van het terrein. De functie van deze diepe sloot is onduidelijk. Fase 2 van de opgraving was het graven van twee werkputten aan de noordkant van het terrein in het niet diep afgegraven gedeelte. Een deel van het terrein aan de noordkant was verstoord door een vrij recente schuur met een diepe betonnen mestput (afb. 4: spoor x). De opgraving van de in 1975 aangetroffen funderingen leverde nieuwe gegevens op (afb. 5). Het gebouw was rechthoekig, buitenwerks ca. 8 x 22 m, met een ca. 5 m brede en 1,5 m diepe omgrachting. Er konden in het funderingswerk drie bouwfasen worden onderscheiden. Van de 1ste bouwfase zijn alleen aan de noordkant en in de noordoosthoek nog de 50 cm brede funderingen aangetroffen (spoor 4a). Deze waren op een 5 cm dik laagje mortelpuin als grondverbetering/werkvloer gezet. Deze funderingen moeten destijds ongeveer 1 m diep zijn ingegraven. Door elkaar gebruikt zijn zachte rode bakstenen van 20x10x4,5 cm en 19/19,5x9/9,5x4,5 cm, zonder herbruikt materiaal. De funderingen van de 1ste bouwfase zijn in de 2de bouwfase grotendeels vervan gen door dieper en zwaarder uitgevoerd funderingswerk (spoor 4b). Blijkbaar is het gebouw herbouwd op exact dezelfde plaats, aan de noord- en noordoostkant nog op de oude funderingen en verder op nieuwe. Men heeft hiervoor dezelfde steen soorten gebruikt als in de 1ste bouwfase. Van de zuidgevel resteert slechts een puinspoor. De funderingen van de 2de fase zijn beduidend zwaarder, met versnijdin gen verbreed tot een grondvlak van 1 meter en met onder de buitenrand van de fundering nog een soort grondverbetering van gestapelde stenen. Van een groot deel van de westgevel is alleen deze grondverbetering aanwezig. De reden voor deze zwaardere funderingen was vermoedelijk dat de lengtegevels naar buiten werden 44

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 46