De grondsporen gerschans, zodat kan worden uitgesloten dat er toen nog iets van overeind stond. Merk waardig genoeg is op de kaart de Korte Vliet weggelaten. De Coebel stond op enige afstand van de Rijn. Ook Pieter Sluyter en Jacob van Deventer karteerden het in 1550 en 1565 op deze plek (5). Op het kadastrale minuutplan van 1845 is in de verkaveling het oorspronkelijke terrein van de Coebel te herkennen als een ongeveer vierkant perceel aan de Korte Vliet, direct ten zuiden van enkele smalle percelen langs de Rijnoever (afb. 2). Deze smalle percelen wijken af van de opstrekkende verkaveling die men langs de Rijnoever zou verwachten doordat de perceel breedte en richting van de sloten onregelmatig zijn. Waarschijnlijk hebben deze afwijkingen te maken met het feit dat hier het voorwerk van de Waddingerschans heeft gestaan, dat in 1574 is afgebroken (6). Het onderzoek in 1988 bestond uit twee fasen. De eerste fase van de opgraving was het graven van proefsleuven om de omvang van de aanwezige archeologische overblijfselen vast te stellen, alsmede de mate waarin de overblijfselen waren bewaard dan wel verstoord door latere grondwerkzaamheden. Er werden twee lange noord-zuid gerichte sleuven gegraven en één oost-west gerichte (afb. 3 en 4). Hierbij werden de volgende waarnemingen gedaan. Afb. 3 Belangrijkste gedeelten van de profielen ter plaatse van: A-B rand van de slotgracht (3), C-D "kleiwinningskuilen" (2), E-F diepe sloot aan westkant (6), G-H diepe sloot (6) en "kleiwinningskuilen" (2). De met cijfers gemerkte grondsporen worden in de tekst besproken Afb. 2 De ligging van de opgegraven fundamenten ingetekend in het kadastrale minuutplan van 1845

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 44