O ca tens Coebel was er de man niet naar om bij het minste of geringste bakzeil te halen en via het Hof van Holland werd er een proces gevoerd voor de Grote Raad van Mechelen, het hoogste recht sprekende orgaan van die tijd. De uitslag was dat Coebel in 1547 opgedragen werd zijn kalk oven af te breken (18). Maar meneer presteerde het om dat vonnis naast zich neer te leggen. Nu zou het wel van uiterste zwakheid van Leiden getuigd hebben als dat zoiets getolereerd zou hebben, en dus volgde een tweede proces, ditmaal voor het Hof van Holland. Was Coebel bij het eerste vonnis al verboden ooit kalk te branden binnen een afstand van 500 roeden van de stad, bij het tweede vonnis van 22 december 1551 werd dit verbod uitgebreid tot 1000 roeden van de stad. Maar Dirck accepteerde dat uiteraard niet en ging weer eens in hoger beroep bij de Grote Raad van Mechelen. Een uitspraak van dit college is helaas niet bekend. Vanuit Den Haag waren alle stukken over het proces voor het Hof van Holland naar Mechelen gestuurd. Daaronder bevond zich ook een kaart van de omgeving van Leiden met de bewuste kalkoven. Landmeter Pieter Sluyter had in januari 1550 de opdracht uitgevoerd om nu eens pre cies na te meten wat de afstand tussen de kalkoven en de stad Leiden was: dit bleek 440 roe den te zijn. Misschien is er juist geen uitspraak gekomen omdat de feiten het proces inmiddels achterhaald hadden, bijvoorbeeld omdat Dirck uiteindelijk toch maar eieren voor zijn geld koos en zijn oven stillegde (19). Of zijn arrestatie in 1553 daar nog een rol in gespeeld zou kunnen hebben, valt uiteraard niet vast te stellen. En of hij daarna nog grote vertimmeringen aan zijn buiten bij de Oude Vliet aangebracht heeft, zodat dit terecht de naam Coebel is gaan voeren, is al evenmin bekend. Afb. 2 Uitsnede uit de kaart van Jacob van Deventer 1560 35

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 37