Afb. 7 Haarvlecht uit beerput 2B Aan de zuidkant werd een fundering blootgelegd van zachte, gevlekte rode baksteen van 21 x 11 x 5 cm, met in de insteek een paar potscherven die in de 2de helft 14de of 15de eeuw kunnen wor den gedateerd (1/2A). Het was de hoek van het achterhuis van een pand aan de Middelstegracht dat in 1850 wellicht in kern nog aanwezig was. Op het Ir. Driessenplein bleek de percelering langs de Oude Rijn kort na 1450 te zijn uitgezet en bebouwd. Het is denkbaar dat dit toen ook in het onderhavige terrein is gebeurd en dat 1/2A op deze tijd teruggaat. Eén van de beerputten (2B) kan op grond van de vondsten uit de beer- laag in dezelfde periode zijn aangelegd (in feite valt zelfs een datering in de 1ste helft van de eeuw te verdedigen maar de beperkte hoeveelheid materiaal noopt tot voorzichtigheid). De beerput hoorde waarschijnlijk bij een aan 1 /2A grenzend huis aan de Middelstegracht. Onder het vondstmateriaal bevinden zich een randscherf van een lichtgroen bekerglas, enkele textielresten, twee ondetermineerbare schoenfrag menten en een deel van een 15de eeuwse lage linkerschoen met gespsluiting (zooilengte 26 cm, de gespjes waren voor hergebruik afgesneden). Een curieuze vondst was een afgeknipte menselij ke haarvlecht (afb. 7). Een beerput aan de oost kant (2C, oversneden door 2/3E) hoorde bij be bouwing aan de Uiterstegracht. Hier zijn vermoe delijk van de aanvang af de huizen niet geori ënteerd geweest met de lengte-as haaks op de straat maar met de langsgevel evenwijdig aan de rooilijn. Dit is duidelijk te zien op de 16de eeuwse kaarten van J. Liefrinck, L. Guiccardini en P. Bast. Op het achtererf van deze panden had men in de 16de of begin 17de eeuw zes beerputten ge maakt. Vijf ervan hebben exact dezelfde diameter (uitwendig 1,50 m) en steensoort (rood, 19,5 x 9,5 x 4,5 cm) en ook eenzelfde ongewone vulling. Ze zullen hetzij grotendeels gelijktijdig zijn gebruikt, hetzij binnen een vrij korte periode opeenvolgend, wellicht binnen een paar decennia. De vondsten dateren uit de eerste helft van de 17de, deels mogelijk uit de 16de eeuw. De onderste vulling van de putten bestaat vreemd genoeg niet alleen uit beer maar ook uit een laag ongebluste kalk. Bij de buiten gebruikstelling zijn ze alle eerst tot vrijwel onderin leeggeschept voordat ze werden gedempt met turfbrokken (3A, 2/3F) of zand en puin (overige). Er kwamen weinig vondsten uit (tabel 4). De resterende beer-/kalklaag was steeds slechts 10 a 20 cm dik. In de zuidoosthoek van de opgraving kwam bovendien een grote 1,5 m diepe kuil tevoorschijn vol ongebluste kalk en wat bot (2/3I). Voor deze fenomenen is er vooralsnog geen verklaring. Heeft de kalk gediend om slacht afval of iets dergelijks te vernietigen, b.v. van een leerbewerker of een slager? Volgens Van Oerle (1), kaart 13, woonde omstreeks 1600 ongeveer op dit perceel een schipper. 20

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 22