Afb. 14 Regenleertjes, schaal 1:2 Bij sommige scheden is de ruitvormige doorsnede van de kling duidelijk herkenbaar (nrs. 73, 74). De klingen zijn maximaal 2,9 - 3,6 cm breed. Van geen enkel exemplaar is de complete lengte bewaard, doch vergelijking van de scheden onderling suggereert een grote variatie in formaat. Behalve nr. 78 zijn de dolkscheden niet of nauwelijks versierd afgezien van de ingedrukte lijnen aan de zijkant die wij ook bij de zwaardscheden tegenkomen. Nr. 78 toont een overgang tussen de ingedrukte lineaire versiering van de zwaardscheden en de gestempelde motieven op de mes scheden, ook al is het bloemenstempel niet identiek aan dat op de messcheden. Hetzelfde stem pel komt wel voor op twee fragmenten van zwaardscheden (nrs. 27, 70). Er bestaan zeer weinig parallellen voor dolkscheden van leer afgezien van een groep van veel rijker versierde exemplaren uit Lund (Zweden, Blomquist 1937, 162-3). De dolken waartoe de scheden zouden kunnen behoren zijn echter talrijker, zij het dat er maar weinig goed gedateerd zijn. Bewaarde dolken (Medieval Catalogue 38-50; Schoknecht 1980) benadrukken de grote varia tie in lengte en proportie die toch bij eenzelfde gevestvorm kunnen optreden. Deze variatie maakt het vrijwel onmogelijk via de schede een bepaald type dolk vast te stellen (bijv. nierdolk, rondeldolk e.d.). Een zeer fraaie dolk met resten van de bijbehorende lederen schede is ook uit de Marktenroute geborgen (Suurmond- van Leeuwen 1980, 30). Daar de exacte vindplaats onbe kend is, is het niet mogelijk de dolk te relateren aan de vondst van de zwaard- en dolkscheden, hoewel nr. 76 precies dezelfde vorm heeft. Van deze dolk is de schede voorzien van drie ver sierde metalen kokers maar op geen van de lederen scheden is er enig teken van een rijk be slag. Een verder verschil ligt in de vorm van het lemmet, dat nogal breed en kort is (20 x 4,5 cm), terwijl de scheden over het algemeen bij dolken met een langere en slankere vorm behoren (afb. 15). Nr. 78, het grootst bewaarde exemplaar is 4 cm breed en minstens 36 cm lang, nog zonder enig teken van sterke toeloop naar de punt. In dit geval zou gedacht kunnen worden aan één van de grote "burger"dolken. Inderdaad zou een zeer fraaie doik uit de gracht van kasteel Voorst (Verlinde 1983) hierbij perfect passen. Vanwege het l-vormig gevest en de afmetingen (lengte kling 62 cm, breedte 3.7 cm) kan dit wa pen als een z.g."basilard" geïdentificeerd worden (Dean 1929; Zijlstra-Zweens 1987). Dit exem plaar, uit de in 1362 gedempte gracht, is een van de zeer zeldzame met zekerheid te dateren dolken of zwaarden die bekend zijn. Een basilard van dit formaat (en dus mede nr. 78) zou volgens de bestaande literatuur (gesteund door afbeeldingen op - vooral Engelse - burgergrafplaten) laat in de 14de-begin 15de eeuw ge dateerd moeten worden. De ontdekking van een prachtig, volledig ontwikkeld exemplaar bij Voorst heeft de datering van dit type dolk aanzienlijk vervroegd. In feite hadden wij dit al kunnen vermoeden, aangezien de al eerder genoemde heer Kunz von Rozenheim in het Manesse hand schrift (dit is een van de latere toevoegingen, maar is van vóór 1330) ook al een uitzonderlijk 177

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 179