ring. Het is mogelijk dat enkele van onze Groep 3-scheden gemaakt zijn voor de platte variant XVia, terwijl de nog scherpere punt met ruitvormige doorsnede van Groep 4 gemakkelijk te her kennen is in het hoofdtype XVI. Dat zwaarden van type XIII en XVia overigens zeer verwant zijn wordt bevestigd door het feit dat exemplaren van beide types uit dezelfde werkplaats bekend zijn (Oakeshott 1964, 48). De markeringen op nr. 60 zouden de nogal brede 'bloedrii' van de type XVI kunnen weergeven. Wanneer wij de voorzichtige dateringen van Oakeshott volgen dan krijgen wij het volgende over zicht: De lange periode van experiment en aanpassing komt hierin duidelijk tot uiting. Vooral tegen het eind van de 13de eeuw is te verwachten dat alle vormen tegelijk voorkomen: rond 1320 zullen er steeds minder type XII en Xlii zwaarden te vinden zijn geweest, terwijl type Xlilb en vooral XVI steeds dominanter in het beeld zullen verschijnen. Vaste dateringen voor ieder type zijn natuurlijk onmogelijk te geven omdat zwaarden zeer lang in omloop konden blijven. Het zwaard was in de middeleeuwen niet alleen een praktisch wapen, het was ook geladen met de hele mystiek van de krijgers- en adelijke cultuur. Het was omgeven door een aura van symboliek en was een belang rijk erfstuk, hetgeen b.v. uit familieverzamelingen zoals die in de Churburg in Zuid Tirol blijkt. Oakeshott geeft (blz. 54) zelfs het voorbeeld van zwaarden van zijn type XIII die na 1450 weer tevoorschijn gehaald werden en, voorzien van een nieuwe-stijl handgreep, weer dienst konden doen dankzij de intussen veranderde gevechtstechniek. Scherpe dateringen zijn een illusie en wanneer meer dateerbare archeologische gegevens beschikbaar komen kunnen nog grote ver schuivingen verwacht worden. In eerste instantie leek het tezamen voorkomen van vier zwaardtypes een datering in de periode van ca 1300 - 1320 aannemelijk te maken. Bijbehorende vondsten zoals twee ruitersporen, een metalen oortband en enkele speerpunten (afb. 9) lijken echter een datering in de buurt van 1300 uit te sluiten hoewel alle voorwerpen toch in een vroeg stadium van hun 14de eeuwse ontwikke ling staan (Edge Paddock 1988, 66 e.v.; Medieval Catalogue 73 e.v., 103 e.v.). Hierbij was er van uit gegaan dat de schedes een betrekkelijk korte periode - zo niet een éénmalige depositie - van vuilstort vertegenwoordigen. Maar is dit zo? Er is geen stratigrafische informatie om uitsluitsel te geven, maar uit een andere hoek rijzen er bedenkingen. Toen de uiteindelijke nummers aan de scheden in de catalogus werden gegeven bleek opvallenderwijze dat - met uitzondering van Groep 3 - de zwaardtypes elk met vrijwel gelijke aantallen vertegenwoordigd zijn. Behalve wan neer wij precies midden in de ontwikkeling staan, op een moment dat alle drie zwaardvormen net even populair waren, lijkt mij dit verdacht. Wij moeten misschien toch rekenen met een lan gere periode van werkzaamheden. Dus niet een groot aantal reparaties aan een zeer gemengd wapenbezit in een korte periode, maar gestage werkzaamheden aan minder wapens (van minder bezitters) die de veranderende mode nauwlettend volgden. Uiteindelijk maakt het voor de date ring zelf niet zo veel uit, het gaat immers toch om de periode 1300 - 1330, maar voor de inter pretatie van de sociaal-maatschappelijke achtergrond is dit wel degelijk van betekenis. Langdurige depositie zou betekenen dat wij met een kleinere groep wapenbezitters te maken hebben, die echter gedurende een veel langere tijd aanwezig was. In dit geval is lokale ven/aardiging waar schijnlijker en de scheden zouden dan een ontwikkeling in zowel vorm als versieringstechnieken weergeven. Meer licht op deze kwestie wordt geworpen door het nader bestuderen van de wijze waarop de scheden aan de zwaardriem bevestigd werden. Ook hierin ziet het eerste kwart van de 14de eeuw een serie vernieuwingen. De zwaarden van de stichtersfiguren te Naumburg en enkele goed bewaarde zwaardscheden uit grafvondsten worden op afb. 11 weergegeven ter vergelijking met de Leidse vondsten. De zwaardriem bestaat uit twee onderdelen, een kort bovenste stuk waaraan de gesp bevestigd is of waarin de sluitingsgaten zich bevinden en een lang stuk dat rond het lichaam gaat en wat lager aan de schede gemonteerd is om het gewicht van het zwaard op te vangen. Van een dergelijke onderriem is één exemplaar te Leiden bewaard (afb. 19a): het was oorspronkelijk met leerband (het uiteinde van de bovenste riem, vgl. afb. 11 d) om de schede vastgemaakt; de knik in het leer verraadt het gewicht van het zwaard. Jammer genoeg zijn er geen herkenbare resten van bovenriemen. Dit is vooral te betreuren omdat Franse, Engelse en Spaanse zwaardriemen Groep 1 Groep 2 Groep 3 Groep 4 Oakeshott Xli Oakeshott Xlii Oakeshott Xlilb (XVI?) Oakeshott XVia ca 1200 - 1325 ca 1260 - 1330 ca 1290 - 1340 ca 1290 - 1340 169

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 171