individuele vergelijking aan één of ander type toegewezen worden. Het was nauwelijks mogelijk onversierde middenfragmenten met enige zekerheid verder te identificeren en deze zijn groten deels buiten beschouwing gelaten. Vijf hoofdgroepen konden onderscheiden worden (afb. 7): Groep 1a: brede platte zwaarden met evenwijdige snedes en een brede, stompe punt. Het lemmet is 6 cm of meer breed aan de bovenkant. Groep 1b: als 1a maar wat minder breed. Hoewel het verschil opvallend is bij onderlinge vergelijking blijft er weinig van over op de tekeningen op schaal en het gaat misschien niet om een wezenlijk ander zwaardty pe. Totaal 16 stuks met 4 vermoedelijke exemplaren. Groep 2: tamelijk korte zwaarden met een brede kling die licht toeloopt tot een bijna bladvormige, stompe punt. De meeste scheden zijn versierd met ingedrukte lijnen op ca 1/2 tot 1/3 van de lengte, aansluitend op de gemarkeerde middenrib. Totaal 14 stuks. Groep 3: steekzwaarden, lange, middelbrede kling, de snedes lopen eerst pa rallel, om vervolgens geleidelijk tot een spitse punt toe te lopen. Geen spleten voor bevestigingsriemen: kleine krassen duiden mis schien op metalen kokers. Versiering als Groep 2. Meestal van zeer glad, fijn kalfsleder gemaakt. Totaal 9 stuks. Groep 4: smalle, platte, spitse klingen, snedes in bovengedeelte evenwijdig, kling minder dan 5 cm breed, onderste gedeelte spits toelopend tot een bijna rapier-achtige punt, vaak ruitvormig in doorsnede. Meestal onversierd. Totaal 16 stuks. Dolken: nrs. 71-83 zijn vanwege hun afmetingen waarschijnlijk voor dolken bestemd, hoewel sommige lange punten misschien eerder tot de zwaarden van Groep 4 behoren (b.v. 80-83). De vorm van de zwaardkling hangt nauw samen met zijn functie als slagwapen of als stootwa pen (Edge Paddock 1988, 62 e.v., 87 e.v.). Zware, brede zwaarden met een nogal stompe punt zijn bedoeld om de maliënkolder door te hakken of om zwaar letsel als gevolg van het slaggewicht toe te brengen. Om een betere bescherming te verkrijgen werd de maliënkolder vanaf het midden van de 13de eeuw steeds verder versterkt met metalen platen totdat deze tegen 1340 door een compleet slui tend ijzeren harnas vervangen werd. Tegelijkertijd verandert de vorm van het zwaard tot een smal stootwapen met een lange versterkte punt, bedoeld om tussen de platen van het harnas te steken. De overgang is geleidelijk; er bestaat een voortdurende wisselwerking tussen wapen en bescherming die zich ook wel door lokale factoren laat beïnvloeden. De oude slagzwaarden blij ven b.v. veel langer in zwang in Zuid-Europa en de Levant omdat daar het complete plaatijzeren harnas minder populair was (Oakeshott 1964, 53). Er is geen reden om nieuwe vormen te ont wikkelen als de oude nog effectief zijn. De geleidelijke overgang tussen de twee functietypes (Oakeshott 1964, spreekt van Group I: slagzwaarden en Group II: stootzwaarden) vinden wij terug in de Leidse vondstgroep, hoewel het volledig ontwikkelde stootzwaard nog lijkt te ontbreken. In het volgende zal voortdurend verwezen worden naar de zwaardindeling van Oakeshott (1964), die zwaarden tussen ca 1050 en 1550 in 10 hoofdtypes (X t/m XX), sommige met twee of meer sub-types, indeelt. Soms verschillen de subtypes dermate van het hoofdtype dat het onduidelijk is waarom zij onder één nummer gebracht zijn. Vermoedelijk gaat het in dergelijke gevallen om moeilijk te definiëren vormen die geleidelijk in elkaar overgaan. Dit maakt wel het systeem wat verwarrend in het gebruik, zoals wij bij type XIII zullen ondervinden. De 16 scheden van Groep 1 zijn gelijk te stellen met Oakeshott type XII: 13de eeuwse slag zwaarden, breed en plat, zoals die fraai afgebeeld zijn in de handen van de stichtersfiguren te Naumburg (ca. 1260, afb. 10a). Twee uitzonderlijk goed bewaarde exemplaren van dit type, com pleet met schede, zijn als grafvondst uit Spanje bekend. De zwaarden van Sancho IV, koning van Castilië en Léon (gestorven 1295) en zijn broer Fernando (gestorven 1270) (afb. 11a, b) zijn niet alleen van belang omdat zij één van de zeldzame vaste dateringspunten voor een bekend zwaard geven, maar ook omdat zij riembevestigingsmethoden tonen die vergelijkbaar zijn met de Leidse scheden. Interessant is verder dat de zilveren oortband aan het zwaard van Sancho IV overeenkomt met de indrukken zichtbaar op schede nr. 43, ook al is deze te zeer gepunt om bij een Groep 1-zwaard te kunnen horen. 165

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 167