TIEN JAAR GLAS UIT LEIDSE BODEM E.V. Henry-Buitenhuis Inleiding Zowel in stiji als in herkomst en datering vertoont het glas, dat in de afgelopen tien jaar in Leiden werd gevonden, een grote verscheidenheid. Naast het 15de en 16de eeuwse 'Waldglas', dat voornamelijk in Zuid-Duitsland geproduceerd en onder andere via de Rijn naar ons land getransporteerd werd, komt Italiaans glas voor (of het naar Italiaans voorbeeld hier gemaakte 'a ia fagon de Venise') en glas van Franse en Engelse makelij. In de meeste gevallen is het voorts moeilijk aantoonbaar of het glas het werk is geweest van "Hollandse" glasblazers, die zich lieten inspireren door wat er op het gebied van glaskunst in andere landen vervaardigd werd, of dat de glazen voorwerpen geïmporteerd werden. in het onderstaand artikel worden enkele karakteristieke exemplaren uit de collectie besproken, terwijl enige kanttekeningen worden geplaatst bij het gebruik van glas in de verschillende tijdspe rioden.* Beschrijving van het glas Het gevonden glas werd hoofdzakelijk aangetroffen in beerputten. Dit betekent dat het deel uit maakte van het huishoudelijk afval van de bewoners van de desbetreffende panden. Vanuit deze gegevens zou men dus iets kunnen zeggen over het gebruik van het glas in een 16de en 17de eeuws huishouden. Plaatst men de gevonden glazen voorwerpen naast elkaar dan zou men in grove lijnen de vol gende ontwikkeling kunnen schetsen. Het vroegst gedateerde glaswerk (ca. 1450-1550) is vanwege de sobere techniek en de nog ruwe ongezuiverde grondstoffen zwaar van vorm en ondoorzichtig (hieronder valt onder andere het zogenaamde Duitse 'Waldglas'). Vanaf de tweede helft van de 16de eeuw ontstaat, mede onder invloed van Italiaanse glasbla zers, een meer verfijnd glas, dat onder de naam 'fagon de Venise' een hoogtepunt bereikt om streeks 1600. Drinkglazen die tot deze groep behoren zijn rijk versierd met ornamenten en glas draden in verschillende kleuren. Het glas zelf is helder en doorzichtig. Na ca. 1650 krijgt dit 'fagon de Venise'-glas ondanks de hoge kwaliteit en het grote aantal produktiecentra steeds minder belangstelling. Men raakt geïnteresseerd in het veelal goedkopere Engelse en Boheemse glas, dat uit grovere vormen bestaat en minder sierlijke decoratieve patronen bezit. Ook gedu rende de 18de eeuw blijft dit glas de toon aangeven. Wat betreft de determinatie van het glazen drinkgerei stuit men vaak op de vraag of het glas van eigen makelij is, dus gemaakt werd in een Hollands atelier, of dat het om een importstuk gaat. In veel gevallen is dit niet onomstotelijk aan te tonen, aangezien gegevens hieromtrent ontbreken. Wel is bekend dat een groot aantal glashutten in de Noordelijke Nederlanden werd geleid door Italiaanse glasmeesters of door hen opgeleide glasblazers en dat er eveneens Vlaamse glasblazers in ons land werkzaam waren. Niettegenstaande dat bestond er een uitge breide glashandel tussen de verschillende landen en werd, met name, in grote getale Italiaans glaswerk en tevens veel 'fagon de Venise'-glas uit onder andere de Zuidelijke Nederlanden (met name Antwerpen) en Duitsland naar ons land geëxporteerd. Ook voor het Duitse 'Waldglas' (tot ca. 1590) en het 18de eeuwse Engelse loodglas geldt dat veel voorwerpen van dit type via import hier terecht kwamen. Tot nu toe werden geen aanwijzingen gevonden die duiden op een lokaal Leids glasatelier of -produktiecentrum, zodat vragen die hierop betrekking hebben nog onbeantwoord moeten blijven. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek vormden de gesprekken met prof. dr. H.E. Henkes, die mij op verschillende aspecten van het gevonden glaswerk wees. Graag zeg ik hem mijn dank hiervoor. 131

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1990 | | pagina 133