Het straatoppervlak van de Breestraat, dat aan de westzijde bij het Kort Rapenburg op ca. 0,70 m NAP, ligt, bereikt in zuid oostelijke richting voor het stadhuis een hoogte van 3,95 m NAP. Naar het Gangetje daalt dit oppervlak tot ongeveer 2 m NAP. In de opgravingsput tegenover het stadhuis werd de diepte van de natuurlijke ondergrond op ongeveer 60 cm beneden NAP vastge steld. De ongeroerde ondergrond bestaat uit afzettingen van fijnzandige klei, afgewisseld met veel dunne zandlaagjes. Dit pakket komt overeen met de zandige sedimenten van de middel eeuwse transgressiefase (Afzettingen van Duinkerke III) die op tal van plaatsen in en buiten Leiden is aangetroffen (Bosch en Pruissers, 1979). Naar de basis toe worden deze afzettingen kleiiger om op ca. 1,10 m beneden NAP over te gaan in grijze, lichte klei, die aan de bovenkant met riet doorworteld is. Verder van de toenmalige rivieroever af, in de richting van de Pieterskerk, gaat deze lichte klei zijdelings over in een blauwgrijze, zware klei van pre-Romeinse ouderdom. Over de gehele lengte van het bodemprofiel is op de natuurlijke ondergrond een ophogingslaag van weinig verontreinigde klei aangetroffen. In het traject van de Breestraat vanaf het Kort Rapenburg tot voorbij de Schoolsteeg doorsneed de rioolsleuf, oplopend naar het stadhuis, het grensvlak van de ongeroerde ondergrond (afb. 5). Hieruit bleek dat de opgebrachte klei plaatselijk in dikte varieerde en ter hoogte van het stadhuis een dikte van ca. 90 cm bereikte. In de opgravingsput is op enkele plaatsen geconstateerd dat dit pakket deels met kleiige zoden is opge hoogd en de vorm van een terp heeft (Hallewas, 1982). 76

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1982 | | pagina 80