In het stroomgebied werden Afzettingen van Duinkerke I (500- 200 v. Chr.) in een dik pakket afgezet, welke in de doorsnede slechts ten dele zijn aangegeven. In de stroombedding werden aan de basis zandige afzettingen aangetroffen die naar boven toe geleidelijk overgaan in fijnzandige klei, afgewisseld met zandlaagjes. Deze gelaagdheid toont een sterk hellend verloop in de richting van de rivierbedding. Daarboven ligt een laag zware, compacte klei die naar de oevers van de Oude- en Nieuwe Rijn, overgaat in lichte klei. Deze zijn voor het merendeel bedekt door een laag fijnzandige kleien, neergelegd tijdens de middeleeuwse overstromingen (800-1200 na Chr.). In de twaalfde eeuw ontstond bij de samenstroming van de Oude en Nieuwe Rijn, waar ook de Mare in uitmondde, een nieuwe bewo- ningsconcentratie. Naast de reeds eeuwenoude bestaande woonge meenschappen, zoals Oegstgeest, Leiderdorp, Zoeterwoude en Voorschoten, is de stad Leiden uit deze nieuwe nederzetting en het grafelijke domein voortgekomen. d de Burcht Zoals reeds vermeld in de beschrijving van het geologisch over zicht, was het Waardeiland aan het einde van de Duinkerke I transgressiefase reeds hoog opgeslibd. Op het Burchtterrein, aan de westzijde van het Waardgebied, zijn op deze pre-Romeinse afzettingen geen jongere afzettingen gevonden. Uit het geolo gisch onderzoek in de Hooglandse Kerk, op korte afstand van de Burchtheuvel (afb. 4), is gebleken dat de pre-Romeinse afzet tingen aldaar bedekt zijn met kleiafzettingen van Duinkerke III ouderdom. Sinds de jaartelling was dit gebied reeds als een hoog gedeelte in het landschap herkenbaar (Bosch en Pruissers, 1979). Uit de werkschets van de opgraving in de Burchtheuvel (Renaud, 1968) blijkt dat de oudste terp, die in doorsnede is aangegeven, opgeworpen is met zware, blauwgrijze en geelgrijze klei. Gelet op de samenstelling en de kleur van het materiaal 74

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1982 | | pagina 78