De top van het pakket is zeer waarschijnlijk afgegraven. Deze veronderstelling wordt gesteund door de volgende waarne ming. In het pakket zijn, waarschijnlijk in de zestiende eeuw, ten behoeve van riolen, diepe sleuven gegraven die bijna lood recht tot schuin op de as van de Breestraat staan (afb. 3). Het zestiende-eeuwse niveau waaruit deze sleuven zijn gegraven is echter niet aanwezig. De insteek van deze sleuven is slechts tot de top van het mestige lagenpakket te vervolgen. Op grond van de vondsten kan de accumulatie van dit pakket op zijn vroegst in het tweede kwart van de twaalfde eeuw zijn be gonnen. De jongste lagen bovenin het pakket dateren waarschijn lijk uit het midden of de tweede helft van de dertiende eeuw. De aanwezigheid van grote hoeveelheden mest wijst waarschijn lijk op het houden van vee in de nabije omgeving. Tussen dit pakket en de huidige bestrating is een laag zand aanwezig die, gelet op de datering van de rioolsleuven, in of na de zestiende eeuw moet zijn aangebracht. Een op andere plaatsen in de Breestraat vastgestelde bestrating van veldkeien aan de basis van dit zand (Vos, 1979, 38; Pruissers en Vos, dit verslag) is hier niet waargenomen. Wel zijn op de stortplaats keitjes gevonden, die deel van een straat hebben uitgemaakt. Houtresten Het hout en de mestkuilen die bij het ontgraven van het profiel werden ingetekend zijn weergegeven op afb. 3. De bovenste vlak- tekening geeft het hout uit het bovenste deel van het lagenpak ket boven ca. 80 cm boven NAP, weer, de onderste tekening toont het hout uit het onderste deel. Door de beperktheid van de be schikbare tijd kon niet al het hout worden ingetekend. In het onderste deel van het pakket werd een aantal resten van houten structuren aangetroffen. In het noordwestelijke deel van de put was dat enig staand en liggend hout, alsmede enkele res ten van vlechtwerkwandjes. Vier korte planken, die twee aan twee kruislings over elkaar lagen, kunnen mogelijk als een poer worden geïnterpreteerd. Door het fragmentarische karakter van deze resten is niet duidelijk tot wat voor structuren zij heb ben behoord. In het midden en zuidoosten van de put was aan de tegenover het stadhuis gelegen kant een gedeelte van de fundering van een gebouw of gebouwen aanwezig. Zij bestond uit korte, dikke, rechtopstaande in kuilen geplaatste balken (a tot en met h op afb. 4) die ten dele met horizontaal daarop gelegde balken wa ren verbonden. Een van de staande palen (d) steunde op een on der in de kuil gelegde plank. Deze palen zijn niet alle van hetzelfde niveau ingegraven en ze zijn dus ook niet alle even oud. Bij Af in profiel afb. 4 is waarschijnlijk een hoek van het gebouw te zien. Een tweetal liggende balken was daar inge laten in de bovenkant van ingegraven palen (a en b) waardoor zij stevig met elkaar verbonden waren. Een liggend balkje tus sen de balken b en c was gefundeerd op korte balkjes, die lood recht op deze balk lagen. Dit balkje wijst mogelijk op een spe- 28

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1982 | | pagina 30