Porselein werd van heel andere kleisoorten gemaakt, werd bij een veel hogere temperatuur gebakken, was door en door wit, geheel verglaasd en een beetje doorschijnend. De majolicabakkers reageerden verschillend op dit concurrerende produkt. Een aantal, met name in Haarlem en Amsterdam liqui deerde hun bedrijf. Anderen - dit gebeurde vooral in Rotterdam, maar voor een deel ook in Delf - hielden grotendeels op met de produktie van borden en gingen zich toeleggen op de wandtegel- fabricage. Een gedeelte van de producenten probeerde het pro dukt goedkoper te maken door een geringere, veel globalere be schildering. Er kon ook op de kleibereiding worden bezuinigd. De voorwerpen uit deze bedrijven zien er grof en goedkoop uit. Een paar bedrijven probeerden in de jaren twintig en dertig het majolicaprodukt in technische zin zo te verbeteren, dat de voorwerpen meer op porselein gingen lijken. De klei voor deze produkten werd gemengd met geïmporteerde mergel en de borden werden niet meer vrij in de oven, maar in kokers hangend op keramische pennen, gebakken. Het resultaat was een tamelijk dun bord, rondom wit (aan beide zijden met tinglazuur bedekt) en met een onbeschadigde voorkant. Slechts aan de achterzijde zaten drie dunne moeten van de kera mische pennen. De voorwerpen leken nu, met uitzondering van de decoratie, op porselein, maar het bleef natuurlijk een veredeld majolica: rood- of geelbakkend aardewerk overdekt met wit tinglazuur. Deze voorwerpen wijken zo sterk af van het voor 1620 geproduceerde majolica, dat in de vakliteratuur van de twintigste eeuw over fayence of proto-Delfts wordt gesproken. In de zeventiende eeuw sprak men over "Hollants/Haarlems of Delfts porceleyn". Om economische redenen beschilderde men dit fayence juist niet met een aan het Chinees porselein ontleende decoratie. De produktie bestond vooral uit kleine bordjes met een diameter van ca. 20 cm, beschilderd met wapens, gedekte tafels, bijbelse historieën, landschapjes etc. In de jaren veertig van de zeventiende eeuw braken er burger oorlogen in China uit, die een desastreus effect hadden op de porseleinfabricage en -export. In 1647 was de import in Neder land gehalveerd tot ruim 100.000 stuks, in 1652 was het nog een twintigste deel van de import van de jaren voor 1645. De paar bakkerijen in Delft en Haarlem, die al het bovenbe schreven fayence maakten, konden, om het ontstane gat in de markt te vullen, het snelste hun produktie opvoeren en overgaan op het maken van "Hollants porceleyn" met een chinoiserie deco ratie. Hun werkmethode werd vooral in Delft door velen gevolgd. In Delft werden in de tien jaar na 1650 meer dan tien nieuwe bakkerijen opgericht. Deze bedrijven zullen na 1650 vooral fayence gemaakt hebben met een decoratie in Chinese trant, maar de kleine bordjes met een Nederlandse decoratie zullen zeker nog bij een paar bedrijven tot in de jaren tachtig in produktie zijn gebleven. De produktie van het ouderwetse majolica die tot 1650 op kleine schaal was doorgegaan zal in deze periode ook zijn opgehouden. Alleen in Harlingen en Makkum bleven de grove majolica schotels, steeds aangepast aan de mode van de tijd, tot ca. 1880 in produktie. 106

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1982 | | pagina 114