geconserveerd. Men heeft de kandelaars niet gepoetst of de verdwenen delen "onzichtbaar" gerepareerd en/of aangevuld. Daardoor is het wezen van deze bodemvondst geen geweld aangedaan. De werkzaamheden beperkten zich tot het verwijderen van het vuil, het lijmen van de gebroken onderdelen en scheuren en het verstevigen daarvan. Bepaalde plekken werden met een conserveringsmiddel behandeld terwijl de losgeraakte leeuwtjes opnieuw werden bevestigd. Desondanks was de stabiliteit van de kandelaars onvoldoende. Door ze op perspex steunen te plaatsen kon een goede opstelling worden verkregen, waardoor de toeschouwer een juiste indruk van deze stukken krijgt (14). Tenslotte rijst de vraag hoe dit koperwerk in de bodem terecht is gekomen. In het begin heb ik uiteengezet dat het mij onwaarschijnlijk voorkomt dat ze zonder meer weggeworpen zijn. Er komen naar mijn mening twee mogelijkheden in aanmerking, n.l.: de kandelaars zijn of door de kloosterbewoners verstopt bijvoorbeeld ten tijde van de reformatie, of in de bodem terecht gekomen tengevolge van een of andere calamiteit bijvoorbeeld een brand. De laatste mening zou steun vinden in het feit dat de restaurateur brandsporen meent aan te treffen. Hij schrijft namelijk in het conserveringsverslag"Het bevestigingsgedeelte van de kaarsendoorn is vanuit zijn rustpunt iets omhoog gekomen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan brand; hierdoor smelt het gebruikte bevestigingsmiddel tin/ loodsoldeer waardoor de doorn los gaat zitten. Overigens geldt dat ook bij de andere doornen van de kandelaars" (15). Wat er precies is gebeurd zal wel nooit met zekerheid kunnen worden vastgesteld. Het Stedelijk Museum de Lakenhal te Leiden heeft de hier beschreven bodemvondst kunnen verwerven, mede dank zij de medewerking van de Rijksuniversiteit Leiden die van haar rechten afstand heeft gedaan. Het betekent een belangrijke aanwinst voor de collectie middeleeuwse gebruiksvoorwerpen, dit te meer daar de Nederlandse musea in het algemeen gesproken stiefmoederlijk met objecten uit die tijd zijn bedeeld (16). Noten (1) H. Martin, "Een belangrijke vondst", in: Oude Kunst 2 (1917), 155-158. (2) Vr.Med. mevr. H. Suurmond-van Leeuwen. (3) J.C. Overvoorde, Archieven van de kloosters. Inventa rissen en regesten, I, 40; zie ook H.A. van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, I, Leiden 1975, 203 en 309. (4) J.L. Blonden, "Inventaris van een burgerinboedel. 1526", in: De Navorser 75 (1926), 183. (5) S. Collon-GevaertHistoire des arts du métal en Belgique, Brussel 1951, 2 din.P. Schoenen, "Dinande- rie", in: Reallexicon zur deutschen Kunstgeschichte3, 1955, 3-11. 101

Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Bodemonderzoeken in Leiden | 1982 | | pagina 109